vrijdag 24 november 2017

Disrupt yourself!

Het voordeel van ongeletterdheid, zo betoogde ik enkele weken geleden, is niet gehinderd te worden door wat je al weet. Voor iemand die veel weet - een geletterde - bestaat leren hoofdzakelijk uit ordenen en hergroeperen. Tenzij je een geheel nieuwe vaardigheid leert met daarin een grote motorische component, is het leervermogen kritisch afhankelijk van de kwaliteit van de al ontwikkelde kennisaccommodaties. Hoe zit dat?

Ongeletterd leer je vooral bottom-up, onder meer door exploratie, nabootsing en trial and error. Geletterd leer je bv een tweede taal deels via de (top down) kennis van de eerste taal. Met "ongeletterd" bedoel ik dat er nog geen kennisstructuur (accommodatie) is, waarin je de te leren zaken kunt assimileren. Een gevolg hiervan is dat er, om te kunnen omgaan met de te leren inhouden, nieuwe brein-verbindingen zullen worden gevormd (en configuraties van zulke verbindingen). Denk aan het ontstaan van een rivier. Doordat het smeltwater van de bergtop stroomt, slijt het op den duur een kanaal in (kanaliseren is dan accommoderen). Des te sterker dit kanaal al is gevormd, des te makkelijker zal nieuw smeltwater er in assimileren. Op vergelijkbare wijze ontstaan in ons brein talloze sporen, aanvankelijk vooral bottom-up. De sporen worden dieper doordat activiteiten in deze sporen worden geassimileerd, dus door geleerde patronen opnieuw uit te voeren. Ons brein is echter niet slechts een rivier, het is meer als een stad, die stukje bij beetje ontstaat.

Een historische stad weerspiegelt de functionaliteit van weleer. De plattegrond (wegen, pleinen, grachten, afwateringsverbindingen, riolering, kortom, infrastructuur) en de huizen (pakhuizen, winkels, etc) zijn de neerslag van het leerproces van de stad. Hoe meer infrastructuur (accommodatie) er al is, hoe minder totaal nieuwe functionaliteiten kunnen worden toegevoegd. Een stad gebouwd in de late middeleeuwen met smalle steegjes, grachten en hoge pakhuizen, kan niet de voor een moderne megastore noodzakelijke vereisten assimileren. Er kunnen bijvoorbeeld geen vloeroppervlakten van honderden vierkante meters worden gerealiseerd voor de winkel, en de gigantische vrachtauto's passen niet door de smalle steegjes. Met andere woorden, het winkelend publiek zal in de grachtenpanden veel vaker een trap op en af moeten, en de leveranciers zullen aan de rand van de historische stad hun lading moeten overladen in kleinere karren. De stad mist het accommodatievermogen, omdat er al te veel infrastructuur is. In feite is de stad geletterd, en dan wel in een andere tijd, in een andere taal.

Een stad, zo kan je betogen, kan je afbreken en opnieuw opbouwen. Of, en dat gebeurt meestal, net buiten het historische centrum kan een nieuw centrum worden gebouwd. Op de ongerepte (ongeletterde) grond, die nog helemaal aangepast kan worden aan de hedendaagse vereisten/functionaliteiten. Echter, voor een menselijk brein is dat onmogelijk. En als het al mogelijk zou zijn - het oude brein eruit, een nieuw brein er in en opnieuw beginnen - dan zou het onwenselijk zijn. Moord van alle herinneringen, kennis en vaardigheden.

Bij levenslang leren moet rekening worden gehouden met de veranderde/verminderde leercapaciteiten van het oudere brein. Dat is precies mijn punt, doen we dat wel voldoende? Verwachten we niet vaak te gemakkelijk dat ouderen als het ware een megastore zullen leren bouwen en gebruiken in een "stad" die nog met pakhuizen en grachten is ontstaan. Of met pen en schrijfblok, in plaats van met tablet en smartphone. Als mensen goede (abstracte) accommodaties hebben gebouwd, kunnen ze daarin vele processen assimileren, ook nieuwe processen, vrijwel zonder te hoeven accommoderen. Maar als mensen minder goede accommodaties hebben gevormd, dan zullen ze al op relatief jonge leeftijd veel veranderingen in de wereld niet meer bij kunnen houden. Het leren moet dan gericht zijn op het vinden van de aansluiting tussen de nieuwe vereisten en de aanwezige patronen (denk aan het overpakken van de vrachtwagens op karren aan de rand van het centrum).

Echt nieuwe dingen leren is ook op hoge(re) leeftijd wel degelijk mogelijk. Maar dan moet je wel je relatieve ongeletterdheid opzoeken. Het kan heel goed zijn om te leren bijvoorbeeld vioolspelen als je nog nooit een (snaar) instrument hebt gespeeld, want precies daar gaat de metafoor met de stad mank. Wij hebben in ons brein voor geheel nieuwe zaken vaak levenslang bouwgrond vrij, zelfs in het historische centrum! Kortom, probeer op hoge leeftijd niet alleen vanuit wijsheid te opereren; laat je af en toe verrassen en stel je ook regelmatig op als een "absolute beginner" in plaats van als een "know it all". Disrupt yourself!

vrijdag 17 november 2017

We-too?!

Vorige week betoogde ik dat smart technologie ons op achterstand kan zetten (dom maakt). Echter, een positieve kracht van data technologie is dat ze emancipatie kan brengen: brede, bijna wereldwijde toegang tot kennis. Neem Wikipedia. Nooit eerder was er zo'n brede beschikking over zo'n complete encyclopedie, die bovendien voortdurend wordt gecontroleerd en ge-update. Door de gebruikers zelf. Ervaringsdeskundigen volgens het oudhollandse Rijnlands model: wie het weet, mag het zeggen. Dat kan een vooraanstaand hoogleraar zijn, maar net zo goed een verborgen genie vanuit een zolderkamer. Techniek in optima forma, het zelf-organiserend (en reinigend) vermogen is de kracht. Echter, in de klas blijken docenten en professoren niet allemaal blij met deze kennisemancipatie. Hun monopoly als kennisbrengers willen ze niet met Wikipedia delen, zo blijkt uit waarschuwingen als: "kijk nooit op Wikipedia" (of nog erger).

Toegegeven, er kunnen fouten staan op het web, zelfs als de kennis georganiseerd is rond de inhoudelijk meest geïnformeerde en up to date kennis in een voortdurend co-makership met experts. Maar fouten worden ook gemaakt in leerboeken en klaslokalen. Nee, het lijkt een machtskwestie te betreffen, weerstand tegen emancipatie. Door het internet raken traditionele kenniswerkers hun vanzelfsprekende macht kwijt. Een kind van 12 kan soms zo bezeten van iets zijn, dat het meer weet dan een gelauwerd professor, en dat kan zeer doen. Daarnaast maakt internet dingen zichtbaar, bijvoorbeeld dat patiënten met een handicap heel af en toe zelf een therapie bedenken die beter is dan alles dat de geneeskunde/psychologie tot nog toe heeft gebracht. Een op YouTube beroemd geworden filmpje van een jongen zonder ogen (Ben Underwood), bijvoorbeeld, laat zien dat Ben zichzelf spontaan heeft leren "zien". Met zijn oren, via  echolocatie! Dit is een uitdaging voor de gevestigde (para)medische orde. Ervaringsdeskundigen kunnen zoveel deskundigheid hebben, dat er beter naar hen dan naar de klassieke professional geluisterd kan worden. Nogmaals, dat kan zeer doen!

Niet alleen wetenschappers, docenten en (para)medische professionals moeten door het internet hun kennis en inzichten delen. Ook andere "machthebbers" zagen met de opkomst van computertechniek hun macht tanen. Muziekproducties werden vanaf zolderkamers gemaakt en via YouTube gehost. Sommige producties bereiken de top. Met uitstekende camera's die algemeen zijn geworden, kunnen films gemaakt worden. Boeken kunnen gedrukt worden, cd's geperst. Nee, de weg naar een hit, of een leuke filmrol gaat niet meer perse via het bed van de machtige producer/regisseur. Dat dat geen uitzondering was, laat de grote Me-too-golf rond celebraties zien. Het bewijst dat mensen met macht altijd kunnen zwikken om die macht te gebruiken om te krijgen wat ze begeren, of dat nu roem is (geleerden, artiesten), sex (mannen, geestelijken, celebraties, etc.), of land- of slavenarbeid (landadel, multinationals etc). Informatie technologische emancipatie maakt dit zichtbaar.

Via het internet denken belangengroepen bijna overal mee. Co-makership! Platforms voor autisten, bijvoorbeeld, laten niet meer vanzelfsprekend de professionals over hen praten, ze praten mee! Hetzelfde zie je met de vakbonden. Het doorbreken van de zelfsprekende koppeling van kennis, inzicht, zeggenschap, kunst en (seksuele) verhoudingen aan één groep, is een grote verdienste van het internet. Er is wel een gevaar en precies daarover ging mijn blog van vorige week: smart technologie. Met hun 'slimme' algoritmes bepalen internetgiganten als Facebook, Spotify en Netflix wat u wel of niet te zien krijgt. En daarmee worden de grote weer groter en worden de nieuwkomers of kleine bewegingen weer gesmoord! Kortom, laten we uitkijken de empowerment die internet kan brengen niet met ondoorzichtige smart technologie ongedaan te maken!

vrijdag 10 november 2017

Ontwikkel smart, of wordt door smart devices ontwikkeld

Mensen leven steeds meer in een "gemachineerde" werkelijkheid. Om een auto op de weg te houden, moet de bestuurder worden geassimileerd in de fysica van de auto en het systeem waar het onderdeel van is. De mens kan accommoderen. Elke nieuwe technische toepassing is kritisch afhankelijk van of de gebruikers er mee kunnen leren werken. Als het te veel aanpassing in een keer vereist, lukt het niet. Echter, technologie wordt meer en meer voorzien van eigen accommodatievermogen. Google "ziet" bijvoorbeeld wat ik interessant vind, en past daar de advertenties op aan, met als gevolg dat ik in mijn eigen informatiebulb leef. Maar het blijft toch de mens die een meester in aanpassen is. Tablets, voortdurend bereikbaar zijn via Facebook, het kan en dus past de mens zich aan. Wat is de prijs? Moet de technologie wel slimmer worden (aanpassen aan individuele behoeftes, bv door patroonherkenning/bigdata), of moeten we technologie inzetten om de mens slimmer te maken?

Algoritmes zijn in staat vanuit jouw klik- en kijkgedrag (de digitale kruimels die je op internet achterlaat) jouw voorkeuren en allergieën af te leiden en deze vervolgens te koppelen aan meer algemene patronen/segmenten, die ik eerder "eilandjes in de datazee" noemde. Op grond hiervan krijg je aan jouw voorkeuren aangepaste berichten te zien, of word je aan mensen "gekoppeld" die voor jou mogelijk interessant zijn. Hierdoor kan je je sneller ontwikkelen in de richting van je interesse. Voor adverteerders is dit interessant, want zo kan er veel gerichter worden geadverteerd (als gitaarliefhebber krijg ik telkens gitaren voorgeschoteld). De door mij gebouwde algoritmes werken precies zo. Het algoritme is feitelijk niet intelligent, maar construeert matrixen en zoekt daarin vervolgens naar samenhangen, onder meer door data te segmenteren. Zo kan een steeds preciezere inschatting worden gemaakt van jouw eigenschappen (je blijft nl digitale kruimels achtergelaten). Van het segment (eiland) waarop jij je bevindt met betrekking tot een bepaald criterium, zijn de statistieken (gemiddelden, verdelingen etc) bekend. Diverse eigenschappen worden "bepaald", waaronder jouw intelligentie, je politieke voorkeur, je seksuele voorkeuren, diverse persoonlijkheidskenmerken, etc. Natuurlijk door jouw "kruimels" met diverse "eilanden" te vergelijken. De adverteerder zoekt naar die eigenschappen die voor zijn product van belang zijn.

Met mijn team (Saxion lectoraat Brain & Technology) maken wij dit soort algoritmes met als doel verschillende leer- of werkstijlen te kunnen bepalen, zodat daar door professionals rekening mee gehouden kan worden, bv bij educatie en de inrichting van de werkplek. Kinderen en volwassenen met autisme, bijvoorbeeld, leren anders dan neurotypische mensen. Als daar goed rekening mee wordt gehouden, hoeft autisme niet een succesvol en/of gelukkig leven in de weg te staan (in een latere blog kom ik hier op terug). Echter de data die wij "mogen" gebruiken, is zeer beperkt en veel onderzoek als dat van ons is nauw aan medisch ethische commissies gekoppeld. Dat is opmerkelijk. Waarom?

Commerciële partijen als Google en Facebook mogen elk klein spoortje gebruiken, zelfs de typefoutjes die uitgewist worden. Hun doelen zijn niet zuiver eerzaam (verkopen), terwijl onbedoeld mensen door de interveniërende algoritmes en matrixen zonder het te weten in een informatiebulb terecht komen. Iemand met bijvoorbeeld meer conservatieve politieke voorkeuren, leeft in een hele andere Facebook/internet omgeving, dan iemand die progressieve voorkeuren heeft. Of een homoseksueel in een andere omgeving dan een heteroseksueel. De algoritmes selecteren wat jij te zien krijgt. Het is heel goed mogelijk dat je daarmee steeds beter bij een specifieke "configuratie van segmenten" gaat passen en dat jouw ontwikkeling zo onbedoeld in een bepaalde richting wordt gedirigeerd. In het ergste geval kan dit leiden tot een enorm verdeelde wereld, vol conflict, waarin je continu je eigen (voor)oordelen bevestigd ziet! Een gemachineerde kokervisie! Continu en steeds sterker. En niemand lijkt zich hier druk over te maken. Maar het inzetten van deze technieken om de diagnostiek in psychotherapie, educatie of werk te versterken door gepersonaliseerd te kijken, stuit op zeer veel weerstand. Terwijl daarbij leraren, psychologen, psychiaters, therapeuten, arbeidsdeskundige en jobcoaches de data gebruiken in voortdurende samenspraak met de cliënt. In co-makership.

In het kort, slimme technologie met ingebouwd aanpassingsvermogen, biedt grote mogelijkheden, maar minstens even grote gevaren. Het is opmerkelijk dat digitale (algoritmische) surveillance en beïnvloeding op grote schaal vrijwel zonder voorbehoud wordt toegepast, terwijl het bijna onmogelijk is om vergelijkbare technieken in de context van onderwijs en gezondheidszorg met professionals te ontwikkelen en onderzoeken. Nogmaals, een beperking van slimme technologie is dat ze ontwikkeling kan beïnvloeden of zelfs verstoren. Als Netflix op grond van mijn kijkgedrag mij door suggesties helpt te kiezen uit het oneindige aanbod, kan ik nooit meer buiten mijn eigen kaders ontwikkelen. Als ik alleen heb leren genieten van BZN, kom ik zo nooit tot Peter Schat, of Louis Andriesen. Smart technologie kan mensen helpen in hun ontwikkeling, in het bereiken van hun utopie. Maar als we niet uitkijken, doet ze juist het omgekeerde: ontwikkeling beperken!

vrijdag 3 november 2017

Het voordeel van ongeletterdheid!

Valt het u ook wel eens op? Dat bijvoorbeeld de imitators van Elvis bijna zonder uitzondering technisch beter zingen dan Elvis, maar toch de magie lijken te missen. Vul voor Elvis een willekeurige andere game-changing wereldster, denker, schrijver of wetenschapper in. Hoe zit dat?

Elk kind komt ongeletterd ter wereld. De eerste taal leer je doordat je brein invarianten uit een eindeloze stroom variant geluid selecteert. Je brein construeert een spoor op grond van klanken gevormd door de stem van zowel mama (hoge stem), als papa (lage stem). Toonhoogte is eerst nog variant, maar ook daarin vallen regelmatigheden te ontdekken en dus breinsporen te construeren: "Cells that fire together wire together" (de zogenaamde Hebbian rule). Ieder kind construeert zo stukje bij beetje (bottom-up) de moedertaal (of talen, bij tweetalige opvoeding). Echter, als je op latere leeftijd (bv de middelbare school) een tweede taal wilt leren, zijn de omstandigheden volstrekt anders: je ligt niet meer hulpeloos in je wiegje, of box en met je moedertaal heb je een instrument van begrijpen ter beschikking. De nieuwe taal leer je grotendeels via je eerste taal. Dat is nadelig... 

Elke pasgeborene maakt vooral contact met de wereld door dingen te beproeven (naar de mond te brengen) en te betasten. De eerste woorden vervangen vervolgens dit sensomotorisch begrijpen. Elk woord staat voor een grip zonder noodzakelijkerwijs te hoeven grijpen, begrip. In deze zin is taal het abstract begrijpen van dingen, gebeurtenissen en situaties. Echter, anders dan bij het leren van de moedertaal, verloopt dit proces bij een volgende taal niet hoofdzakelijk bottom-up. Top-down aspecten (de al aanwezige eerste taal, kennis van de wereld, etc) staan het bottom-up leren van de volgende taal in de weg. Juist ook hierdoor bevat een latere taal minder synesthesie (verbinding tussen verschillende modaliteiten, bv klank - gehoor - en vorm, beeld); er is minder plaats voor bottom-up processen. Het brein is al modulair/gespecialiseerd. Wil je een latere taal net zo vloeiend - bottom-up - leren als een eerste taal, liggen hier mogelijkheden voor educatie. Een goede taaldidactiek zou het denken uit moeten zetten en de bottom-up aspecten net als tijdens de eerste taalverwerving moeten faciliteren (liggend in de armen van een docent die echt van je houdt ...).

Wat heeft dit nu met Elvis te maken? Eerste generatie artiesten, wetenschappers, schrijvers etc. creëren nieuwe kunst, wetenschap of techniek op een bottom-up wijze. Ze zijn zichzelf aan het uitvinden, nog ongeletterd in termen van de te bereiken verdiensten. Maar de tweede generatie is als het ware al geletterd. Ze zal de top-down shortcut benutten: ze weet wat succesvol is geworden. Vaak leidt dit tot stereotypie en overdrijving, maar als mensen meer ambiëren dan imiteren - transformeren - kan dat weer tot doorontwikkelen aanzetten. Dan is ook de tweede generatie een nieuwe eerste generatie geworden, die bottom-up op ontdekkingstocht is gegaan. Er kan een nieuwe taalvariant, theorie, muziekstijl, of techniek worden geboren!

Tenslotte, eerder schreef ik over het feit dat praktisch alle grote uitvindingen op meerdere plaatsen tegelijk worden gedaan, vaak onafhankelijk van elkaar. De grote naam is dan degene die het eerste bij het patentbureau kwam, of de artiest die op het juiste moment op de juiste plaats was. En ook dat is waar! Geschiedenis - zowel individueel als collectief - emergeert, ontstaat bottom-up! Grensverleggend zijn - het momentum bereiken waar ongeletterdheid overgaat in een nieuwe vorm van geletterdheid - is nu eenmaal makkelijker te bereiken vanuit onbevangenheid dan vanuit vooringenomenheid. In de woorden van vos in De Kleine Prins: "Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar" (Antoine de Saint-Exupéry, 1943). Bij de tweede taal hebben al te zeer leren vertrouwen op onze ogen, op onze geletterdheid. We zijn ons hart - de magie - vergeten. Het voordeel van ongeletterdheid is onbereikbaar geworden. Kortom, in iedere situatie waar sprake is van ontwikkeling, is het van belang ruimte te maken voor exploratie vanuit je (relatieve) ongeletterdheid. In educatie zou daar meer rekening mee gehouden moeten worden!

Ps eerste generatie sterren als Elvis krijgen het vaak na verloop van tijd zelf ook moeilijker om niet een steeds "bedachter" aftreksel van hun aanvankelijke oorspronkelijkheid te worden. Transformatie is beslist ook voor hun noodzaak.

vrijdag 27 oktober 2017

You don't know what you got until you lose it!

Een week vakantie, samen met mijn lief bij onze vrienden Gerrit en Mirjam in Portugal. De sleur doorbreken, waarin we vaak zo snel aan elkaar voorbij gaan, dat we nauwelijks meer dan een prettige maar geautomatiseerde gewoonte voor elkaar lijken. Terwijl het leven zo kort is, en onze liefde kostbaar. Samen uit de stagnatie, weer opnieuw elkaar en onszelf ontdekken. Waarom neigen we in werk, liefde en alles wat van waarde is toch zo gemakkelijk te verstenen?

In de fysica worden er bij niet-lineaire systemen 4 fasen onderscheiden: groei, stabilisatie, stagnatie en bifurcatie (uiteenvallen of aanzet tot nieuwe groei). Denk aan kauwgum, eerst moet het een prettige vorm krijgen (groei), dan is het prettig en smaakvol (stabiliteit) om ongemerkt over te gaan naar een smakeloze massa (stagnatie), die zo gaat irriteren, dat je hem uitspuwt of een nieuwe toevoegt (bifurcatie). Toegepast op werk (een nieuwe baan) en liefde (relatie/vriendschap) zijn dezelfde 4 stadia te herkennen: ze zijn als lente, zomer, herfst en winter. In de groeifase pas je jezelf aan. Dat vraagt de nieuwe situatie van je. Je aanpassingsvermogen bestaat uit accommoderen (nieuwe denk, doe en geheugen schemata vormen) en assimileren (activiteiten inpassen in de reeds ontwikkelde accommodaties). Het accommoderen kan door inleven, voelen, spiegelen, nadoen, meedoen, instructie, redeneren etc. Kortom, door leren.

Een jong stel accommodeert vaak door bv nachtenlang te praten: definieer of wordt gedefinieerd. Accommoderen, jezelf actief aanpassen, kost veel energie. De groeifase (feitelijk de vorming van adequate accommodaties om de relatie of werkactiviteiten in te kunnen realiseren) vereist dan ook veel energie. Verliefdheid, of grote blijheid met de baan, helpt deze energie voor de groeifase vrij te spelen. Ze gaat geleidelijk over in een fase van stabilisatie. Hierin ben je al veel meer aan het assimileren, hoewel je nog steeds ook actief aan het aanpassen/accommoderen bent. Na verloop van tijd gaat de fase van stabilisatie over in een fase dat de processen volledig geautomatiseerd verlopen. Accommodatie is nog nauwelijks of niet meer nodig. Het assimileren van de activiteiten in de reeds ontstane schemata is voldoende. Voor het brein prettig, de automatische piloot draait op weinig energie en is in principe behoorlijk foutloos. Maar denk aan de kauwgom, de smaak dreigt te verdwijnen, en irritatie ligt op de loer.

Ongewild zit je in een sleur, in stagnatie. En voor een partner of werkgever kan dit storend zijn. Immers, de activiteiten van het bedrijf of de afdeling zijn aan verandering onderhevig, terwijl mensen in de stagnatiefase niet meer vanzelf mee veranderen. Deze fase komt soms net nadat drie tijdelijke contract in een vast contract zijn omgezet. Of als na een paar jaar samenwonen het boterbriefje is getekend. De energie die in de groei en stabilisatiefase vanzelf werd geïnvesteerd in het werk of de relatie, wordt nu aan andere zaken besteed. Dit gaat vroeg of laat wringen, en brengt het werk, of de relatie naar de bifurcatiefase: erop of eronder. Nu uit de sleur stappen en je partner weer echt gaan veroveren, of toezien hoe je lief of jijzelf er met het werk, een ander, of beide vandoor gaat. En dan meehuilen met al die popsongs: torn between your lover and the love you left behind (Queen).

Gelukkig gebeuren er altijd dingen (reorganisaties, verhuizingen, zwanger worden) die eisen dat je opnieuw de pootjes eronder zet, opnieuw in groei komt. Je moet dan wel op je werk, of relatie gericht blijven, en daar ligt in onze snelle en versnipperende wereld een uitdaging. Zonder inspanning is het niet mogelijk vanuit stagnatie opnieuw tot groei te komen. Bifurcatie is noodzakelijk. Conflict, of ongeluk, of pech motiveren tot inspanning, net als zelf het conflict of de grens te zoeken. Of een time out, of een teamuitje, of iets totaal anders gaan doen, zodat je opnieuw de "pootjes eronder " moet zetten. Dat geeft de kans de gestagneerde ontwikkeling weer op gang te brengen. Mijn lief en ik hebben er van genoten!

vrijdag 20 oktober 2017

Math against racism

Vanochtend heb ik per ongeluk de IPad meegenomen van Dorinthe, mijn 8 jarige dochter. Niet alleen de kleur (wit, de mijne is zwart) is anders, het is alsof ik een volstrekt ander apparaat heb, waar ik niets mee kan. Na lang zoeken vond ik tussen de Pony- en Barbie apps de notitie-app waarop ik mijn blog elke donderdagochtend in de trein schrijf. Op het kleurtje na dezelfde hardware, volstrekt andere software. Hoe zit dat bij mensen, hardware (biologie) en software (cultuur)?

Enkele weken geleden schreef ik in mijn blog dat de moderne mens met de opkomst van cultuur de biologie buiten spel heeft gezet. Sindsdien krijg ik daar tijdens "spreekbeurten" regelmatig vragen over. Natuurlijk zijn en blijven wij biologische organismen. Maar we hoeven sinds we de speer hebben uitgevonden niet perse grotere slagtanden te evolueren. Of geen dikkere vacht, sinds we het vuur zijn gaan beheersen, of vleugels sinds we vliegtuigen hebben. Cultuur vult ons aan, maakt ons deels onafhankelijk van onze "tekortkomingen" (en evolutie). Dit wordt duidelijk zichtbaar in het gegeven dat de genetische spreiding van de gehele moderne mensheid kleiner is dan die van de aanwezige honden in een willekeurig park, of een groep van 25 samenlevende chimpansees, om genetisch iets dichter bij huis te blijven (en cultuurlijk iets verder van huis). Hoe zit dat?

Iedereen heeft 2 voorouders. Een generatie verder - de opa's en oma's - zijn dat er 4 (22). 10 generaties verder verder 210 (1024). Voor een generatie rekenen we 25 jaar. Dus 1000 jaar terug geeft 40 generaties en 240 voorouders. Het begin van onze jaartelling zijn dat er 280 (1,2 miljoen keer een miljard keer een miljard): u en ik hebben elk al meer voorouders dan er ooit mensen hebben geleefd! Met de 107 miljard mensen die tot nog toe hebben geleefd komen we "slechts" 36,64 generaties terug, tot het jaar 1101* (in 1101 werd Limburg een hertogdom). Dit maakt duidelijk dat we simpelweg enorm veel voorouders delen, zeer veelvuldig. Hooguit tussen de 1/1000 ste en 1/10.000 ste van ons DNA verschilt, daarin zit onze biologische individualiteit. Tel daar bij op dat de moderne mens pas kort bestaat (300.000 jaar, de 200.000 uit de boeken is enkele maanden geleden bijgesteld op grond van een zeer recente vondst) en dat de mensheid enkele tienduizenden jaren geleden bijna compleet verdwenen was (schattingen stellen dat er tussen de 2500 tot maximaal 10.000 mensen over waren), en het wordt duidelijk dat we genetisch praktisch allen in hetzelfde lichaam "wonen".

Dus welk mens "het" ook met welk mens doet (zwart, wit, geel, groot, klein, dik, dun etc), biologisch gezien is het hooguit ietsje minder inteelt... Een aantal consequenties voor de menswetenschappen: (1) zoeken naar biologische componenten van individuele/sociale/culturele verschillen is wellicht in veel contexten minder zinnig dan het lijkt; (2) er is een bestaansgrond voor sociale wetenschappen; (3) biologisch gezien is rassendiscriminatie tamelijk onzinnig, het is cultuurdiscriminatie ! Hier zit onze kracht en zwakte: kleurverschillen zijn oppervlakkig, cultuur heeft onze biologie aan de kant gezet. Cultuur, ofschoon niet altijd zichtbaar, zit diep. Ondanks dat we, zoals we eerder zagen, op celniveau vele keren gedurende een leven volledig vernieuwen, ervaren we consistentie en identiteit. De IPad verwisseling laat dit eigenlijk heel mooi zien: het apparaat is hetzelfde, de cultuur erop maakt het verschil tussen mij en mijn dochter! En daarbij, Apple doet het lijken als 1 device, maar de IPad 2 van mijn dochter en de IPad air van mij zijn meer verschillend dan een Duitse dog en een teckel!

*2017 - 25(2log107.000.000.000) = 1101

vrijdag 13 oktober 2017

Niet willen discrimineren leidt tot discrimineren

PROLOOG:

Ik houd van fietsen, maar ik haat fietsers, omdat ze onvoorspelbaar zijn en collectief regels aan hun laars te lappen. Bij complexe kruisingen gaan ook nog eens alle lichten tegelijk op groen. Resultaat: informatie overload, chaos. Remedie: de snelste of de traagste zijn. Conclusie: De anderen reageren op een "sociale klok" waarvan ik de wijzers niet altijd in zicht heb...

Ik houd van computers, omdat de ze regel-geleid zijn. Ik haat het gebruik van computers, omdat ze te pas en te onpas worden ingezet, waardoor er willekeur en chaos ontstaat. Neem het onderwijs, geprogrammeerde instructie. Als je een antwoord goed geeft, ga je vanzelf naar de volgende vraag. Hierbij verlies ik zicht op de logische kennisstructuur. Remedie: digitale onderwijshulpen kraken. Dilemma: dan moet ik ook de regels overtreden...

Ik houd van mensen, ik haat samenwerken in groepjes, omdat de communicatie bij de overgang van een groep van 3 naar 4 vreemden al enorm veel complexer wordt. Regels? Wie neemt het woord? Wat zeg je wel ("dom argument, inconsistent") en wat niet ("ik vind je leuk, of aantrekkelijk"). Remedie (opnieuw binair): het hoogste woord voeren, of terugtrekken, ook hier zie ik de wijzers van de sociale klok niet altijd.

Ik houd van leren. Ik haat het leren, omdat het meer en meer een complexe sociale happening is, in groepjes. Blended learning betekent de stof via meerdere kanalen overdragen: een bombardement van de zintuigen, luisteren en kijken tegelijk, liefst 3D met vr bril en dus een informatie overload...

Conclusie: ik ben een klein beetje anders...

EINDE PROLOOG. 

De leraar van Loesje geeft invulling aan passend onderwijs door te stellen dat zij/hij leerlingen in 32 verschillende soorten heeft (Loesje, 5 oktober 2017). Dat klinkt prachtig. Het is ondoenlijk! Hoewel ik groot respect heb voor Loesje, po leraren en vo docenten, is een leraar ook maar een mens. Niet willen discrimineren leidt onherroepelijk tot het omgekeerde: discrimineren!

Het probleem met gelijke behandeling is dat mensen met respect tot willekeurig welk criterium (hard kunnen lopen, sierlijk als mannequin kunnen lopen, mijn blogs waarderen etc.) niet gelijk zijn. En zelden zie je aan de buitenkant wie op welke wijze optimaal, of juist niet optimaal leert of presteert. Dan hebben we het nog niet eens over leereffecten in de toekomst; het is heel goed mogelijk dat een kind van de les(sen) niets lijkt op te steken maar dat pas veel later het spreekwoordelijk kwartje valt. Niets is wat het lijkt, niet zelden bereiken we met onze goede bedoelingen juist het omgekeerde van wat we beogen.

Als we nu eens een onderscheid zouden maken tussen kinderen die sociaal en cognitief min of meer neurotypisch en kinderen die min of meer neuro a-typisch (bv autistiform) lijken te ontwikkelen. Op eerstgenoemde typering is het onderwijsprogramma afgesteld. Echter, de tweede groep (in getal veel kleiner) leert op een andere manier. Juist omdat het programma niet op hen is gericht, worden ze vaak als storend of gestoord gezien. Een eigen programma zou recht doen aan deze groep, die bv fantasie en werkelijkheid op een andere manier van elkaar onderscheidt, op gevoelsvlak langer blijft reageren in uitersten en nog lange tijd volledig opgeslokt kan worden in fantastische of fantasievolle fascinaties, vaak onbegrepen door de omgeving. Vaak gepest, of clownesk, nog niet klaar voor de subtiele sociale spelen, maar soms al veel eerder klaar voor mentale uitdagingen, die dan niet komen. Kortom, naast het bestaande programma in elke klas een paralel-programma voor kinderen met een meer autistiforme typering. Idealiter zie ik beide programma's in één klas. Blended learning optima forma. Niet zoals gebruikelijk aan de kant van (ten gunste van) de lesinhouden, maar aan de kant van de kinderen. Ook het meer neurotypische kind dat het moeilijk heeft omdat er tijdelijk meer belasting is bv omdat de ouders in scheiding liggen, of omdat er een been gebroken is, kan (zoals ik elders betoogde) in de default-stand baat hebben bij het a-typische programma. Kinderen krijgen een keus, kunnen ontdekken welk programma op welk moment in hun ontwikkeling het best bij ze past, zodat de diversiteit echt benut kan worden. Niet omdat autistiforme kinderen gestoord zijn - de wetenschappelijke vooruitgang rust op zowel neurotypische, als a-typische schouders - maar omdat ze anders zijn. Juist het niet tijdig onderkennen van de andersheid, zou hun ontwikkeling kunnen storen, net als het stigmatiseren van de andersheid: cognitief onbegrepen door de wereld, emotioneel gepest (bespot) door leeftijdsgenootjes en met het stigma autistiforme spectrum stoornis gelabeld door professionals. Ggz wordt en blijft dan al snel een noodzaak!

Hiermee pleit ik dus voor 2 normen: de a-typische naast de neurotypische norm. Waarom niet meer normen? Precies, omdat dat te lastig hanteerbaar wordt en deze 2 normen ver genoeg uit elkaar liggen, zodat ieder kind bij de best passende norm kan aansluiten. In beide programma's zullen hoog- en laagvliegers zijn. Voor aspies begint het onderwijs vaak pas echt op de universiteiten en dan nog vooral bij de (theoretische) beta-faculteiten. Alsof de a-typische jongeren bij het treinstation op 10 hoog op een passende trein kunnen stappen, maar er voor hen geen trappen en liften zijn. Voor de neurotypische medemens is er een continue liftdienst. Het is nog een wonder dat autisten regelmatig zo goed terechtkomen. Hoewel, zonder wrijving geen glans, om maar eens een platitude te gebruiken. Uit praktijk weten we dat het met veel nerds in het leven goed kan komen, soms zelfs uitstekend.

Nu neemt de zorg  het over als een kind op school faalt. Maar als er een apart programma is ingericht voor a-typische kinderen, zal blijken - zo verwacht ik - dat lang niet ieder kind met zo’n typering speciale ggz zorg nodig heeft. Pesterijen, minderwaardigheidsgevoelens, faalangst zijn dan namelijk niet meer onontkoombaar. Wederzijds respect wel, we hebben elkaar nodig. Tegelijkertijd zullen kinderen met een neurotypisch profiel soms dan ook de bemoeienis van de ggz kunnen krijgen, die nu vanwege het niet discrimineren vooral naar de a-typische kinderen gaat die niet aansluiten bij het huidige schoolprogramma. Want individualisatie en differentiatie voor ieder kind betekent in praktijk een systeem voor ieder kind in het algemeen en niemand in het bijzonder. Nogmaals, niet discrimineren (32 verschillende soorten) waar een reëel verschil bestaat, impliceert een ernstige vorm van discriminatie! Vandaar dit pleidooi voor 2 schoolprogramma's. Het moet nog worden ontworpen. Doet u mee?

EPILOOG:

In klas 5 had ik de meester van Loesje. Terwijl ik op de bank zat en mijn klasgenoten aan de haak zwemles hadden, kwam hij voor me op en stapte in zijn onderbroek het ondiepe water in en hielp me te leren zwemmen. Een zwemdiploma heb ik nooit gehaald.

Wind onder de vleugels... Op een inspirerende vakantie!

Op de valreep voor de vakantietijd, voel ik me altijd weer wat ontheemd. Enerzijds is het heerlijk om uit de routines te stappen, en samen m...