donderdag 24 oktober 2019

Ok, mogelijkheden!

Ok, het punt is duidelijk: de mens-technologie symbiose heeft ons voorspoed en tegenspoed gebracht en via de enorme schaalvergroting die is ontstaan, staan we nu voor wereldwijde problemen (milieu, klimaat, technologisch totalitarisme/technologische iatrogenese, gebrek aan zingeving) die we met onze bijna 300.000 jaar oude psycho-biologische “hardware” niet kunnen oplossen. We kunnen het niet langer aan de ons bekende moordende cocktail van multinationals, wetenschap en/of (populistische) democratie overlaten. Maar hebben we dan nog enige kans?

Het goede nieuws: Ja! (gedragsverandering). Het slechte nieuws: Ja! (Dan Brown-achtige scenarios). We gaan alleen in op de eerste ja. Het is menselijk gedrag dat ons uiteindelijk in deze niet toekomstbestendige positie bracht. Er is geen weg terug, maar er zijn meerdere mogelijke wegen vooruit. Indien het aantal mensen op de planeet vanaf nu zou gaan krimpen, dan zou in potentie de enorm grote schaal met betere (toekomstige) energieomzetting ten gunste van voeding, mobiliteit en communicatie duurzaam beheersbaar kunnen worden gemaakt. Dat betekent niet meer technologie om de technologie, en nog minder disruptie om de disruptie, maar alles afgestemd op keuzes vanuit de centrale gedachte van toekomstbestendigheid. In dit scenario wordt de sociale wetenschap de meest centrale wetenschap, met in het hart de psychologie. Helaas kan dat niet in het verlengde van wat we nu onder sociale wetenschappen en psychologie rekenen. Waarom niet?

De situatie in de wetenschap lijkt op de beroemde dwaas die zijn horloge verliest in een pikdonker park en vervolgens wordt aangesproken door een agent als hij maar blijft zoeken onder een lantaarnpaal. Hij zegt dat hij niet in het donker zoekt, want daar toch niets zal vinden, maar hier in het licht al hele waardevolle munten heeft gevonden. In de exacte wetenschap werkt de wetenschappelijk methode uitstekend, maar in de menswetenschappen levert het op zijn best op dat je door het publiek beschimpt wordt dat je een quasi wetenschapper bent. Maar, helaas, de echte problemen vereisen meer en systematischer begrip in hoe gedragsverandering zowel individueel als van groepen tot stand gebracht kunnen worden. Dat betekent dat de alpha en gamma wetenschappen een broedplaats voor onze allergrootste intellectuele, creatieve en bestuurlijke talenten zullen moeten worden. Met andere woorden, als je echt slim bent kies je niet automatisch bèta, dat kan altijd nog, maar kijk je eerst hoe je Alpha en gamma kan dienen.

Maar waarom is dit nodig, en redden we het niet met de nu ingeslagen weg in de sociale wetenschappen? Een voorbeeld. In veel welvarende streken treedt al enkele decennia krimp van de (relatief) autochtone (dat wil zeggen geassimileerde) bevolkingsgroepen op. De kennis van psychologische factoren rond bevolkingsgroei (pos en neg) zou vooraan in de psychologieboeken moeten staan, keurig op een rijtje. Correlaties met andere vakgebieden (economie en biologie) zouden vanuit hier ook direct in kaart gebracht moeten worden. De kennis is er, maar nergens geordend, zodat we er nagenoeg niets aan hebben. Ten tijden van oorlog, bijvoorbeeld worden er op de 100 meisjes bijna 120 jongetjes geboren, in rust en welvaart liggen de getallen op 100/101. In een serieel monogame samenleving met lage kindersterfte heeft een stel gemiddeld 2,2 kind nodig om de bevolking op peil te houden. Een stel krijgt gemiddeld 1,4 kind en in volgende relaties nog 0,6, dus is er sprake van een lichte krimp. Dit type kennis alsmede wat de psychologische concepten zijn die met een lagere fertiliteit in de hogere welvaart (klasse) samenhang, is van essentieel belang, maar niet toegepast georganiseerd en dus ook niet toegankelijk. Nu in termen van de puzzel van vorige week: maakt welvaart onze wereld voorspelbaarder, rationeler, en onverschilliger in onze kinderwens?

vrijdag 18 oktober 2019

Niet voorspelbaar, wel voorstelbaar; de story of my life

Als kind kon ik dagenlang bezig zijn met conducteurtje spelen. Alle eetkamerstoelen zette ik op een rij, mijn knuffelbeer en natuurlijk Soldaat Engelsman zette ik op de stoelen, en bewapend met pet en kaartjes kniptang liep ik keer op keer langs de rij stoelen. 

Later, toen ik me ging richten op hoe saaie handelingen geautomatiseerd konden worden, bleef ik, en met mij een hele (ICT) beroepsgroep, toch vooral functioneel (unilineair) denken. Het idee dat kaartjes digitaal verschaft en gecontroleerd kunnen worden, zodat niemand dat “saaie” beroep van conducteur meer zou hoeven uit te voeren, maakte automatiseerders haast tot helden. Nog net niet met Batman cape op bedacht ik algoritme na algoritme en trok ik zo ten strijde tegen die saaie, zinloze baantjes, die mensen tot machines maakten. Sommige ict-ers - vooral systeembeheerders- hadden dan ook “Superman” als computernaam. 

Ondertussen weten we dat je functionaliteiten kunt automatiseren, maar dat dit zelden iets zegt over de “werkelijke” bijdrage van de werknemer. Zo hebben we nog steeds conducteurs, die ook nog steeds de geldigheid van toegangsbewijzen controleren, maar vooral omdat ze daarmee een “legitimatie” hebben om zich tussen de reizigers te begeven, en er geen cameratoezicht op kan tegen de invloed op zowel veiligheid, als gevoel van veiligheid, die hun aanwezigheid bewerkstelligt. Hiermee is ook financieel hun inzet meer dan verantwoord. Hetzelfde geldt in bioscopen, waar de kassa’s vervangen worden, maar om de onverschilligheid en ontsporing van (puberaal) haantjesgedrag te beteugelen, nu nog meer medewerkers dan er eerder achter de kassa’s en bij de toiletten nodig waren, rondlopen met “rotklusjes” (popcorn resten opvegen, of rondlopen en tegen iedere bezoeker iets vriendelijks zeggen). 

Met andere woorden, automatiseren (en tegenwoordig robotiseren) ligt regelmatig in het verlengde van het simpele unilineaire functionele denken van het conducteur spelende kind. En laten we eerlijk zijn, nu ik bijna 60 ben, is er op het autorijden na, niets meer dat ik voor mijn salaris doe, dat ook een kind van 6 niet zou kunnen doen. En voor heel veel mensen in onze samenleving betreft autorijden de moeilijkste en meest gevaarlijke taak die ze uitvoeren. Alleen door systeemdenken zien we de beperking van automatiseren. Waarom is een conducteur, of een professor nog steeds nodig? Precies, om met de juiste woorden de menselijke context van reizigers, studenten en/of andere medemensen te expliciteren, uit te leggen, veilig of inzichtelijk te maken. Juist dit doen op een niet voorspelbare maar wel voorstelbare wijze, bevestigt dat we leven en geen robots zijn!

Hoe gek het ook klinkt, ICT bedrijven hebben dit bewust of onbewust niet door. Zo krijgt iedereen na elke grote systeemupdate te maken met een aantal ICT wetmatigheden. Twee voorbeelden. De Wet van Gates (1): software updates vragen sneller meer processor power dan hardware verbeteringen die kunnen leveren, met als gevolg dat na elke update je computer of tablet net iets trager functioneert. Stel je voor dat een serviesbedrijf bij een update je huis inbreekt en je servies een fris nieuw kleurtje geeft. Na de laatste Apple update is zelfs de toetsenbord indeling veranderd, waardoor ik bij het typen van deze blog steeds stukken tekst delete .... Nu denk ik dat Apple en Microsoft dit alles prima weten en hun verdienmodel erop hebben afgestemd. Maar in dat geval zijn wij - de consumenten - de onnozelaars. Vandaar een inleiding in systeemdenken. Om af te sluiten met een andere ICT wet - (2) het Scheermes van Hanlon (variant op Ockham, die stelde dat bij gelijke omstandigheden de simpelste verklaring meestal de juiste is): ga nooit uit van kwade opzet, als domheid ook een goede verklaring is. Sorry Apple, Android en Microsoft, het is kwaadaardig of, met een knipoog naar onze koningin, “een beetje dom”. U mag kiezen!



vrijdag 11 oktober 2019

Rationaliteit en onverschilligheid

Terugkomend op de blogs van de vorige twee weken; mensen zijn minder rationeel dan we denken. In ongeveer 1340 liet de laat-middeleeuwse wetenschapper Buridanos zien dat feitelijk strikte rationaliteit onder bepaalde omstandigheden tot inertie en de dood zou leiden: een volstrekt rationele hongerige ezel die precies tussen twee balen hooi in zou staan, zou rationeel niet kunnen kiezen en dus sterven. Een keus maken vereist dus onverschilligheid, gewoon maar iets doen. Patiënten met beschadigingen in bepaalde delen van de prefrontale cortex, lijken op de ezel van Buridan, zoals deze stelling sinds 700 jaar wordt genoemd. De emotie ontbreekt en de vrije wil om vanuit de intacte rationaliteit tot handelen over te gaan, ontbreekt eveneens. Emotie lijkt de brandstof tot actie en als zodanig veel noodzakelijker voor voortbestaan dan rationaliteit, die zoals we zagen ook nog uiterst feilbaar is (attributiefout en daarnaast zien we causaliteit waar die niet is). Van nature kunnen we niet systeemdenken, terwijl praktisch alles om ons heen niet uit lineaire ketens bestaat, maar uit complexe dynamische systemen.

Als er iets mis gaat, bijvoorbeeld, moet er iemand verantwoordelijk voor zijn en geven we iemand of een groep de schuld: de politici. Bij succes, hoe arbitrair ook, wijten we het aan iemands genialiteit. Dat er veel factoren in het spel zijn en dat toeval altijd het laatste woord heeft, kunnen we met onze simpele oorzaak-gevolg rationaliteit moeilijk begrijpen. Kijk maar eens op LinkedIn, of Facebook: berichten met enorm veel likes ("memes") voeden vrijwel altijd unilineair denken (oorzaak-gevolgtrekkingen). Maar helaas is de werkelijkheid systematisch: relaties tussen elementen hangen binnen bepaalde grenswaarden wellicht (curvi-) lineair samen, maar tonen daarbuiten complexiteit, bv faseovergangen. Iets dat lokaal goed lijkt, kan globaal slecht zijn en vice versa. Door de mens-technologie symbiose is onze wereld zo complex grootschalig georganiseerd, dat lineair rationeel denken volstrekt ontoereikend is geworden. 

Simpel gesteld, niets is wat het lijkt; als je beter kijkt is het net weer anders. Zo blijkt dat de eerder genoemde Franse filosoof Johan Buridanus (1300-1358) de stelling over rationaliteit heeft geleend van Aristoteles (384-322 v.Chr.), maar dat hij wel bijna twee eeuwen voor Copernicus in 1543 beredeneerde dat de aarde rond de zon draait en ruim 3 eeuwen voor Newton in 1684-1686  de wet van behoud van impuls formuleerde: een voorwerp dat door een externe kracht in beweging is gebracht, zal die beweging oneindig vasthóuden, ware het niet dat het wordt afgeremd door wrijving en andere weerstand! Een systeemdenker voordat de calculus (differentiaal rekenen) werd uitgevonden, maar met begrip van de beperkte waarde van rationaliteit. Dan tenslotte een systeem-denkpuzzeltje: al onze technologie kent een strikte rationaliteit, wat doet dat met onze wil, onze verschilligheid? Dwingt het ons tot onverschilligheid? (Volgende week verder)

vrijdag 4 oktober 2019

Korte termijn denken overheerst meer dan ooit tevoren

Vorige week bespraken we dat de mens-technologie symbiose onze aangeboren illusie van controle, of meer algemeen, de attributiefout nog verder aanwakkert. De moderne mens is sinds haar ontstaan zo'n 300 duizend jaar geleden, altijd een technische soort geweest. Vanaf het begin hadden we gereedschap (hefbomen), energie (vuur) en taal tot onze beschikking. Hefbomen werden via katrollen en wielen in combinatie met vuur en nieuwere energiebronnen (elektriciteit, elektromagnetisme, waterkracht, hydrauliek etc.) gecombineerd tot motoren. Taal (inclusief logica/mathematica) speelde hierbij zowel een beschrijvende, als een aansturende rol (code, AI). Maar juist door de ongekende aanpassingsmogelijkheden die de mens-technologie symbiose met zich meebracht, werd de noodzaak tot evolutionaire aanpassing min of meer buiten spel gezet. Een warmere vacht evolueren is bijvoorbeeld niet nodig als je een vuur kan aanleggen en een vacht van een dier kan stropen. 

Waar taal aanvankelijk vooral werd ingezet om krachten die we niet begrepen te bezweren, en om zo samen te kunnen strijden en leven voor gemeenschappelijke doelen en dromen, zo is taal in het tijdperk van de Artificiële Intelligentie de kardinale techniek geworden. Maar altijd is overleven een korte termijn kwestie geweest. Genen die als het ware zorgen dat er over laten we zeggen 5 generaties een beter (diverser, gevarieerder) bestaan mogelijk is, zouden slechts per toeval kunnen ontstaan, omdat het voortbestaan altijd in eerste instantie afhangt van de organismen die direct nageslacht krijgen. Selectie is dus ook in eerste instantie een korte termijn kwestie. Tenzij ze via de omweg van onze "symbiotische partner" - technologie - gaat. Via technologie is planning over langere termijn in principe wel degelijk mogelijk. Maar .... we doen het niet! We blijven als korte termijn planners technologieën ontwikkelen die voor ons voortbestaan disruptief zijn en onze politici, waaronder onderwijsministers, zijn er ... trots op! 

Elke mens technologie coöperatie - denk aan een mens met een piano - kenmerkt zich, door juist de nieuwe mogelijkheden van de samenwerking te exploreren (nieuwe muzikale expressies vinden) of exploiteren (bestaande composities met eigen gevoel opnieuw belevendigen). Met twee handen worden op de piano harmonieën tot klank gebracht, iets dat een mens zonder techniek alleen niet kan. Maar de piano begrenst ook de mogelijkheden, en daarin ligt de kracht. Echter, in nieuwe mens technologie coöperaties worden de verbanden zo groot, dat mensen zichzelf op een wereldschaal zijn gaan vastleggen, beperken en uitdrukken, zonder dat het draagvermogen van de locale biotopen daarbij nog serieus meegenomen kan worden. Zo zijn korte termijn plezieren allesoverheersend geworden. Wat goed is voor het individu, is niet per definitie goed voor de soort. Maar omdat de korte termijn bepaalt (via voortplanting), overheerst nu de korte termijn meer dan ooit tevoren.  

We weten allemaal dat als we in het stadion allen blijven zitten, iedereen het beste zicht op de wedstrijd heeft. Maar als dan 1 individu gaat staan, heeft hij/zij het beste zicht. Smart Technology helpt ons allemaal te gaan staan, met als gevolg dat bijna niemand meer iets van de wedstrijd ziet. Het gaat er dus om dat we niet op individueel maar op collectief niveau en niet op de korte termijn maar op de lange termijn duurzaamheid realiseren, en het zicht daarop is meer dan ooit verdwenen, juist door de schaalvergroting die technologie heeft gerealiseerd. Om bij de stadion-metafoor te blijven: we gaan allemaal staan en roepen naar de technici dat we nieuwe technieken willen om toch weer zicht te krijgen. Om een concreet voorbeeld te geven, individueel claimen we we allemaal het recht om te vliegen. Betreffende de collectieve duurzaamheid zou de luchtvaart afgeschaft, vervangen of ten minste sterk verbeterd moeten worden. En dat lukt niet, want dan moeten we het individuele niveau omruilen voor het collectieve, en de korte termijn voor de lange. Zo zitten we genetisch niet in elkaar, en democratie helpt ons hier met populisme alleen nog maar de verkeerde kant uit. Juist daarom is het tijd dat politiek en wetenschap serieus werk maken van technologische iatrogenese (studie en beleid op grond van schadelijke gevolgen van technologische ontwikkeling)!

vrijdag 27 september 2019

Technologisch illusionisme en de illusie van maakbaarheid

Om de een of andere reden willen we maar niet inzien dat we veel minder rationeel handelen, voelen en denken dan we aannemen. Daar bovenop komt nog dat toeval altijd het laatste woord heeft. Het idee van controle zit diep in onze genetische opmaak verankerd: als we toevallig succes hebben, schrijven we dat aan ons handelen toe, als de zaken verkeerd gaan, ligt het aan de omstandigheden of aan anderen (pech). Maar technologisering draagt bij aan de illusie van maakbaarheid, dus toeval (pech/geluk) speelt schijnbaar geen rol meer. In de psychologie is de illusie van controle talloze keren onderzocht, en staat bekend als de attributiefout (succes wordt toegeschreven aan eigen competentie, falen aan externe factoren, zoals slecht gereedschap etc). Ook de gambler fallacy is een voorbeeld van de illusie van controle. Gelukkig vindt iedereen zichzelf bovengemiddeld en boven modaal begaafd, competent, etc. Overigens blijken patiënten met een depressie juist een meer realistische attributiestijl te hebben, maar hun overlevingskans is gereduceerd, en daarmee is direct duidelijk waarom onze feitelijke irrationaliteit en maakbaarheid-illusie evolutionair de wind in de zeilen heeft gekregen. Individueel hebben we dus weinig "last" van onze irrationaliteit, attributiefouten en fallacies, maar door de technologisering lijdt onze biotoop, die inmiddels wereldomvattend is er sterker onder dan ooit tevoren!

Naar mijn idee is het geweldig dat de kinderen - gesymboliseerd in onze heldin van neurodiversiteit Greta Thunberg - opstaan tegen de door mensen veroorzaakte massa-extinctie en collectieve zelfmoord die we feitelijk met onze mens-techniek symbiose aan het bewerkstelligen zijn. Voor de VN in New York wees Greta een beschuldigende vinger naar de leiders van landen, die juist uitgenodigd waren omdat hun landen redelijk bezig zouden zijn met het realiseren van de afspraken van een vorig klimaatakkoord. Echter, met beschuldigingen heen en weer komen we uiteraard ook niet verder. Niemand heeft deze toestand gecontroleerd veroorzaakt, ze is een gevolg van de veelomvattende afhankelijkheden die grootschalige patronen kenmerken. En de grootschaligheid is bottom-up ontstaan. Één iemand, of één beroepsgroep er verantwoordelijk voor stellen, getuigt wederom van een attributiefout. Wat we moeten doen is duidelijk (Exit Technology, terug naar de kleine schaal), maar het feit dat dat alleen kan als dit grootschalig (dus technologisch) wordt aangepakt, maakt direct de onoverbrugbare controverse zichtbaar.

Een tweede weg is leren respect te krijgen voor toeval, maar daartoe moet onze mindset radicaal om, zelfs tegen onze natuur in. Nu kunnen we laten zien wat dat schijntje rationaliteit dat gloort aan onze horizon werkelijk waard is. We zullen moeten inzien dat technologie ons leven niet per definitie beter maakt, dat winstcijfers van hightech reuzen onze houdbaarheid op aarde niet zonder meer verlengen. Vooral moeten we zien dat leven een werkwoord is, dat niet beter gaat als het schijnbaar makkelijker wordt gemaakt. Hoe hoger onze positie, hoe groter de kans dat we door onze agenda worden geleefd, aan de leiband van tijd, die altijd beperkt is en waarbij toeval altijd het laatste woord heeft. Hoelang we leven, hoeveel waardering we krijgen, toeval speelt overal een veel grotere rol dan onze ingebakken illusie van controle en rationaliteit ons doen geloven. We worden respectabel door niet met modder te gooien als we pech hebben en niet ons te verheffen boven alles en iedereen als we schijnbaar geluk hebben. Of pech geluk is of geluk pech, is ook vaak weer een gevolg van ... toeval. Het enige dat we tegenover toeval kunnen stellen is onze waardigheid: blaam noch faam schade mij. Maar natuurlijk kan een weerwoord een begin zijn van ommekeer, en de inzet en het geluid van een nieuwe generatie scholieren onder leiding van boegbeeld Greta Thunberg is een heerlijke regenbui in een eindeloos droge woestijn van technologisch illusionisme!

vrijdag 20 september 2019

Rijk en toch arm?

Rijk en toch arm? Arm en toch rijk? In het land der blinden is één oog koning! De psychologie van de sociale vergelijking geeft bijvoorbeeld inzicht in sociale en psychologische tredmolens. Iemand kan het goed doen op school, op een goede universiteit cum laude afstuderen, een goede job hebben, om uiteindelijk net een zeer ambitieus appartement op een triple A locatie in een wereldstad te kunnen kopen en sociaal weer onderaan de ladder te staan. Je wordt rijk, verhuist naar een hogere sociaal economische status (SES) en dan ... sta je weer onderaan de zojuist bereikte sociale ladder. Iedereen om je heen is "rijker", (schijnbaar) succesvoller; je bent weer "arm" en krijgt van je nieuwe fysieke en sociale omgeving weer het volle pond aan minachting als "wanna be". Ondanks je salaris van 350k per jaar voel je je arm door (opwaartse, of neerwaartse) sociale vergelijking. Van Hollywood sterren weten we zelfs dat tevredenheid met je leven en wie je bent eveneens terugvalt en dat het voorbij een bepaald punt zelfs onmogelijk is om tevreden te blijven. Rijk en toch arm, gestoord en toch succesvol, succesvol en toch ongelukkig, normaal en toch ontevreden; het zijn allemaal concepten die een ingewikkelde en zeker niet lineair causale relatie met elkaar hebben. 

Niet lineair causale verbanden kunnen uitstekend in het alledaagse onderzocht worden en juist hierom spreekt ook toegepaste psychologie mij zo aan. Een interessant aspect van toegepaste wetenschap, is dat de praktijk leidend is. In de context van psychopathologie betekent dit dat niet alleen gekeken wordt naar algemene kennis die afgeleid kan worden uit een groot aantal mensen met een bepaalde psychische conditie (stoornis). Vooral wordt gekeken naar mensen die ondanks dat ze een bepaalde diagnose hebben, toch niet (of niet meer) in de praktijk tegen de problemen aan lopen waar de meeste mensen met zo'n diagnose wel tegen aan lopen. Hiermee staat falsificatie in de studie van het bijzondere centraal in de studie van de praktijk. Dus niet louter verificatie en inductie - van het algemene naar iemand in het bijzonder - maar ook falsificatie en deductie: als deze persoon aan de voorwaarden voldoet om de diagnose x te krijgen, maar desondanks in staat is om een succesvol en geïntegreerd leven te leiden, dan is een stoornis toch niet altijd een storend. Hoe uitzonderlijk zo'n succesverhaal wellicht ook zal zijn, bij de focus op mogelijke positieve uitkomsten komt vroeg of laat onvermijdelijk de vraag welke factoren dan het verschil maken tussen het veelal falen en incidenteel slagen. Wanneer is een beperking een talent, wanneer is minder meer? Of terug naar het begin, wanneer is rijk arm, en wanneer is arm rijk?


In de psychologie spreekt men hier van positieve psychologie. Maar positief kan dan dus ook "negatief" betekenen. Immers als een bepaalde conditie, bijvoorbeeld hoogbegaafdheid, doorgaans tot succes leidt, maar af en toe flink nadelig lijkt te zijn, zal een "positief" toegepaste psychologie zich hier ook op storten. Het gaat dus feitelijk om de erkenning dat ontwikkelingsuitkomsten niet per definitie lineair causaal samenhangen met de algemeen bekend veronderstelde visie. De praktijk is weerbarstiger. Het gaat om het speciale geval, niet iedereen in het algemeen, maar deze persoon of situatie in het bijzonder. Niet zozeer om verificatie dus, als om falsificatie, met vragen als waarom gaat het bij deze persoon niet goed. Juist deze geïndividualiseerde aanpak en daarvan dan vervolgens weer kijken of we daar in het algemeen ons voordeel mee kunnen doen, vormt het vertrekpunt van een positieve psychopathologie. Of beter, een psychoandersheid, want kijkend naar individuen die geslaagd zijn ondanks (of juist dankzij) hun andersheid ("against all odds"), zijn strikt genomen niet gestoord en vallen dan ook niet (meer) onder pathologie. Wel kunnen we van hun individuele casussen veel leren, waarmee ook andere mensen met een gelijksoortige conditie in potentie hun voordeel mee kunnen doen. Kortom, waar wij individuen een etiket met een stoornis op plakken, gaat het veelal om mensen die ‘anders’ zijn, bijvoorbeeld hoogbegaafd en in feite helemaal geen stoornis hebben. Het is voor onze samenleving immers veel slimmer om uitgaande van het 'anders zijn’ mensen zodanig te faciliteren dat zij zichzelf goed kunnen handhaven in de samenleving en bovenal van bijzondere waarde kunnen zijn, o.a. op de arbeidsmarkt. Zo kan opvoeding en behandeling helpen arm rijk te laten zijn!

vrijdag 13 september 2019

Watch me, over hoe wij herhaaldelijk verwezen!

Ieder mens is van oorsprong een sociaal wezen. We krijgen pas echt betekenis als we onze bijdrage kunnen leveren aan de groep waartoe we behoren. Hiertoe zijn we gedreven. Deze "drive" om bij te dragen en er toe te doen, ligt diep verankerd in onze constitutie, waaronder onze hersenen. De natuurlijke diversiteit - mannen, vrouwen, sterke mensen, slimme mensen, grote mensen, kleine mensen, etc. - komt van pas om ons te ontwikkelen in het verlengde van onze mogelijkheden ("talenten") en dan telkens in het belang van de sociale gemeenschap waartoe we behoren. Kinderen krijgen, opvoeden, voor eten zorgen, verdedigen van de gemeenschap, zorgen voor comfort (kleding, warmte, techniek etc.) en betekenis (religie, bezwering, vermaak), allemaal taken die al vele duizenden jaren telkens opnieuw moesten worden overgenomen door nieuwe generaties. Soms was het geslacht al de eerste biologische voorwaarde (kinderen krijgen), soms was het geslacht, of een andere biologische variabele een sociale voorwaarde (bv nystagmus, ofwel het "derde oog", maakte mensen in sommige gemeenschappen/culturen tot ziener/geestelijke).


Het behoeft weinig betoog dat met het letterlijk verdampen van grenzen tussen sociale gemeenschappen (dit gaat samen met de toenemende technologisering van de samenleving, zo betoogde ik twee weken geleden), het voor individuen veel ingewikkelder is om je plaats in de sociale gemeenschap te vinden. Ofwel, om je adres kenbaar te maken aan de abstracte (virtuele) society waar je toe zou kunnen behoren. Wellicht is dit zelfs onmogelijk, omdat het simpelweg niet (meer) bestaat.  "Kijk wat ik kan, Watch me" roepen we als kind regelmatig, maar als we ouder worden wordt duidelijk dat er geen duidelijk adres is waar we met onze bijdrage kunnen aankloppen ... Je kan nog zoveel kunnen, de "society" moet je voor jouw kunnen wel een adres toekennen. Sociale media zoals YouTube staan vol met briljante bijdragen zonder enige erkenning, en daarnaast met "erkende" bijdragen zonder enige eigenheid of talent (heel veel "dwergen" en enkele kunstmatig opgeklopte "reuzen")...

In feite is met het wegvallen van een in principe op voorhand vanzelfsprekende society waartoe men behoort, een mens geroepen om diverse malen in het leven opnieuw te "verwezen", opnieuw als wees zonder familie een (werk) community te betreden. Natuurlijk is dit spannend, en biedt het ook kansen. Maar veel mensen ervaren dat als ze gaan wonen in een geheel andere stad of soms zelfs een heel ander land (waarvan men de taal en de gewoontes nog moet leren), dat de door Technology (het World wilde web, sociale media, hits, blockbusters, films etc.) gegenereerde globale (virtuele) wereld toch vooral een illusie is. "Kijk mij" roepen heeft voor die enkele superster zin, maar de meesten zullen eraan moeten wennen dat zingeving niet vanzelfsprekend is, en dat herhaaldelijk verwezen ons gevoel van eigenwaarde en verbondenheid niet vanzelfsprekend versterkt. En zo zijn we aan het eind gekomen van deze drieluik, waarin eerst werd ingegaan op de samenhang tussen grenzeloosheid en begrensdheid (Mijn huis: hoe meer grenzeloos, hoe meer gevangen), daarna op het verliezen van identiteit door technologie (Ik app, dus ik besta), om hier te concluderen dat de technologisering van onze wereld ons allemaal verweesd. Want als ik overal thuis ben, ben ik nergens meer echt thuis! (Slot)


Wind onder de vleugels... Op een inspirerende vakantie!

Op de valreep voor de vakantietijd, voel ik me altijd weer wat ontheemd. Enerzijds is het heerlijk om uit de routines te stappen, en samen m...