donderdag 25 november 2021

Klein blijven

Elke dag, als onze jongste dochter op bed ligt, kijken mijn lief Victorine en ik een serie op Netflix. Als kleine kinderen genieten we van de verhalen, elke dag 1 aflevering. En telkens valt ons op hoe enorm goed sommige series zijn die uit hele kleine landen komen. Belgische series, bijvoorbeeld De Ridder, of nu Follow the Money uit Denemarken. Sublieme verhaallijnen, en prachtig acteerwerk. Als je dan zo’n relatief goedkope productie maar met enorm veel liefde en oog voor detail gemaakt hebt uitgekeken, en je gaat weer even over naar een Amerikaanse serie, dan is het in het begin zo enorm gewoon weer allemaal, zo “middelmatig”. Zo’n Amerikaanse blockbuster-serie wordt dan pas weer leuk, als er bijvoorbeeld een wat afwijkende hoofdrolspeler in zit, zoals in Lucifer bijvoorbeeld een Welshsman (UK), Tom Ellis. De Amerikaanse serie Breaking Bad was naar ons idee overigens een uitzondering, van de klasse van een kleiner land!

Toch bedenk ik dan dat als een klein land, zoals België (nog geen 12 miljoen inwoners) of Denemarken (nog geen 6 miljoen inwoners), met relatief weinig inwoners zulke mooie producten kan maken, hoe belangrijk het is om de schaal niet altijd zo enorm te vergroten. Zelfs uit IJsland hebben we mooie series gezien, terwijl het land nog geen 400.000 inwoners heeft. Landen die door metropolen qua inwonersaantallen met gemak ingehaald worden, maar die vanwege hun relatieve kleinschaligheid nog echt gezien worden.

In de biologie zie je ook dat klein blijven je heel flexibel en adaptief kan maken. Juist het omgekeerde, heel groot worden, kan ook sterk maken. Zeg maar Denemarken, of Amerika, of IJsland, of China. Een eencellig dier, zoals het pantoffeldiertje, heeft een ijzersterke strategie, en, hoewel we ons met onze grootschalige systemen ondertussen mondiaal behoorlijk in de nesten hebben gewerkt, wij mensen hebben ons toch boven verwachting goed kunnen standhouden juist met een groot en complex systeem. Juist hier zitten de paradoxen: systemen zijn handig en vreselijk, noodzakelijk en gevaarlijk. Grote organisaties die steeds meer regels en vrijheidsbeperking aan hun werknemers opleggen – HRO principes, bijvoorbeeld – tegenover kleine MKB-ers, die soms telkens weer mogelijkheden zien om het hoofd boven water te houden. HRO staat voor high reliability organization, zoals kerncentrales, luchtvaardiensten, of medisch specialistische zorg. Alles moet dan worden dichtgetimmerd, en de vrije speelruimte is minimaal. Zo creëer je zeg maar de olifanten van de menselijke systemen, groot log en uiterst betrouwbaar. Natuurlijk kan je proberen veerkracht hierbij te behouden, maar een olifant zal nooit de soepelheid van een muis bereiken, laat staan die van een eencelligen.

Wat ben ik toch blij dat er nog kleine landjes zijn, met creatieve veerkrachtige kunstenaars. Wat de taal betreft is Nederlands (of Engels) wat mij betreft ondertitelen beter dan nasynchroniseren, laat de spelers vooral acteren in hun eigen taal/dialect (Deens, Cornish, Welsh, of Gronings). Maar ook hier de paradox, Netflix is groot en feitelijk een HRO organisatie. We hebben grote gecontroleerde organisaties nodig, maar vooral ook veerkrachtige en creatieve kunstenaars en MKB-ers uit kleinere gemeenschappen, die flexibel zijn en snel kunnen veranderen, vandaar dit pleidooi. Chapeau dus, gemeenschappen en landen uit Scandinavië, Benelux en Groot Brittannië, op nog veel mooie Netflix avonden met Victorine, waarvan wij genieten en waarmee we hopen nog lang jong en heerlijk klein te mogen blijven!

vrijdag 19 november 2021

Twee grote maar gevaarlijke liefdes.

Mijn hele leven al ben ik dol op technologie. Gefascineerd kan ik naar machines kijken, of naar machines uit het verleden, zoals prachtige auto’s, tractoren, of mooie muziekinstrumenten, gitaren, piano’s, of de eerste analoge en digitale synthesizers… Een machine slecht behandelen, of niet onderhouden, voelt voor mij bijna als misbruik, als iets dat je niet doet! Dus stellen dat technologie het grote probleem van onze tijd is, gaat me echt aan het hart. Maar feit is dat we technologie leven, zo alom-vertegenwoordigd als de natuur dat vroeger was en dat het de biodiversiteit en ondertussen ook de culturele diversiteit heeft doen afnemen tot een gevaarlijke eenvormigheid, die vervuiling, klimaatproblematiek en verveling, eenzaamheid en haat produceert, op een wereldomvattende schaal. Veel technologie is ontwikkeld in de "haatindustrie" (oorlog), en kan net zo gemakkelijk voor, als tegen de menselijkheid worden gebruikt.

De weg vooruit lijkt zo vanzelfsprekend, de snelheid van innovatie neemt nog steeds toe, en we komen steeds verder in de problemen. Zonder technologie kunnen we niet. We zijn slecht aangepast aan de meeste natuurlijke omstandigheden op onze planeet, en we hebben technologie gebruikt om desondanks overal te kunnen leven. We zijn hierbij steeds meer energie gaan verslinden, om het warm te hebben, of juist af te kunnen koelen, om thuis te kunnen blijven werken, of juist om de wereld over te reizen. Mark Zuckerberg kan miljarden investeren in een Metaverse (hoewel er al vele kleinere bedrijven bezig zijn met het vestigen van een 3D internet op het ondertussen traditionele internet). Maar niemand lijkt te beseffen dat onze weg naar de toekomst juist minder technologie is, weer veel meer ruimte laten voor natuur. Locatie en cultuur, waaronder taal, zijn traditioneel aan elkaar gekoppeld, iedere streek (en vroeger zelfs stad, dorp of gezin) kende haar eigen gebruiken, bezigheden en (streek)taal/dialect. Er worden nu nog ruim 6909 talen gesproken wereldwijd (geschat in 1900 nog 70000), de verwachting is dat rond 2100 50 tot 90% hiervan is verdwenen.

In de 20e eeuw kwam de techniekfilosofie op, een richting, met namen als zoals Lewis Mumford, Martin Heidegger, Hannah Arendt, Jacques Ellul en Hans Jonas. Zij waren de eerste die betoogden dat moderne technologie feitelijk de natuurlijke en maatschappelijke orde was gaan overheersen, dat leven in de moderne tijd in praktijk betekent leven in technologie in plaats van in natuur. Hoewel, feitelijk was er al eeuwen eerder gewaarschuwd voor civilisatie meer algemeen, bv door Rousseau voor “de fatale aantrekkingskracht van de ontwikkelde mens” (1754). Rousseau schreef in 1754 “The first man who, having enclosed a piece of ground, bethought himself of saying “This is mine”, and found people simple enough to believe him, was the real founder of civil society. From how many crimes, wars and murders, from how many horrors and misfortunes might not any one have saved mankind, by pulling up the stakes, or filling up the ditch, and crying to his fellows, "Beware of listening to this impostor; you are undone if you once forget that the fruits of the earth belong to us all, and the earth itself to nobody.” (1754/2012). In het begin van de Verlichting, waren veel meer filosofen/wetenschappers die met Rousseau stelden dat de Rede de mens met de natuur in conflict zou brengen, en dat Vooruitgang van Beter dan ook een illusie was. Pas nu begint het besef dat de zinsbegoocheling van de Technologische utopie uiteindelijk een dystopie teweeg heeft gebracht van ongekende omvang meer algemeen te worden.

Natuurlijk kan je zeggen dat het niet de technologie is die het probleem is, maar het gebruik ervan. Maar dan heb je het in eerste instantie toch over de ontwikkeling ervan, en dan zijn ook bedrijfsleven, kennisinstellingen en wetenschap vaak een pioniersfunctie toebedeeld. Plat gezegd: het is of de technologie, of het zijn de mensen die de planeet parasiteren en daarmee een plaag vormen. En dan houd ik nog net iets meer van mensen dan van technologie!

Rousseau, J.J. (1754/2012): The Basic Political Writings. Hackett Publishing Company: Indianapolis.


donderdag 11 november 2021

Transities (3, slot): Arbeid als transitie domein

De wereldberoemde filmmaker Godfrey Reggio stelde in zijn legendarische Qatsi-trilogie dat het echte probleem met onze wereld niet de mensen zijn, maar de techniek die ze zijn gaan beschouwen als even vanzelfsprekend als de lucht die we inademen. Al in de jaren 70 – de tijd dat Godfrey Reggio met componist Philip Glass werkten aan deel 1, de film Koyaanisqatsi (Life Out of Balance), beschreef hij dat taal niet langer in staat was de wereld te beschrijven waarin wij leven en werken: “Language and place gives way to numerical code and virtual reality”. In de twee vervolgen (2. Powaqqatsi: Life in Transformation en 3. Naqoyqatsi: Life as War) gaat hij verder met te stellen dat competitie, winnen, roem, en de status van geld – kortom, het leven als spel – verheven zijn tot kernwaarden. Tenslotte stelt hij dat in deze wereld, die niet langer door gewone taal kan worden beschreven, numerieke code en virtual reality in een explosief tempo ontwikkeld worden en dat technologie hierin een rol speelt als geciviliseerd geweld: technologie is oorlog!

De podia in onze wereld – waarop we de kunsten en onze verbondenheid etaleren en eren – zijn geglobaliseerd, de taal (beeldtaal, Engels, code) en de technologieën in onze wereld zijn dat evenzeer. Zoals een vis zich geen voorstelling zou kunnen maken van een leven zonder water, is het voor ons praktisch onmogelijk om ons een leven voor te stellen waarin technologie niet onze alomtegenwoordige bestaansgrond vormt. De kleding die we dragen, de vloerbedekking, tegels, of het asfalt waarover we met onze schoenen lopen of wielen rollen, de elektriciteit waarmee we onze wereld verlichten en devices voeden, het cement, beton, of de kunststoffen en staalconstructies waarmee we onze habitat materialiseren, het gas en andere fossiele brandstoffen waarmee we ons verwarmen, verplaatsen of reinigen; technologie is overal om ons heen. De problemen waarmee we ons geconfronteerd weten, denken we zonder nadenken aan te moeten pakken met – opnieuw – innovatie, zonder te beseffen dat de innovatie van gisteren (en eergisteren) een hoofdrol spelen in de dreigingen van vandaag en morgen. Onze arbeid – onze ijver – is onze verbinding met onze bestaansgrond, zowel materieel (technisch), als ideëel (zingeving). Juist hierom zou arbeid een sleutelrol kunnen spelen bij het keren van de toekomst.

Voorwaarde is dan dat we inzien dat technologie vooralsnog het probleem is, ondanks het gegeven dat ze nog steeds vooral gezien wordt als de potentiële oplossing. Reggio: “The miracle of technology is literally eating up the planet for profits, it has a life on its own”. Kapitalisme op steroïden; net zo reëel als de wapenwedloop is de technologie wedloop, en ontwikkelingen gaan inderdaad razendsnel. Sterker, in termen van Reggio: technologiewedloop is wapenwedloop en dus is er sprake van geciviliseerd geweld. Om het ingewikkelder te maken, omdat technologie het probleem is, zal ze alsnog ook de oplossing moeten worden. Dus in zekere zin klopt het dat we onze hoop op technologie hebben gevestigd.

Het allergrootste probleem met technologie is de natuur, inclusief onze eigen (psychologische) natuur: verslaving, obesitas, depressie, etc. We zullen, deels ten koste van technologie, de natuur weer moeten gaan toelaten, onbeheerst en wild. De natuur moet toenemen, technologie moet afnemen. We moeten extreem kritisch zijn over elke innovatie, en die niet alleen laten bepalen door grote bedrijven of andere economische grootmachten. Kennisinstellingen trachten op de eerste rij te zitten, maar dragen daarbij zeker niet automatisch bij aan het keren van het tij. Arbeid kan bijdragen aan het opbouwen en onderhouden van lokale verbondenheid, van betrokkenheid op de lokale gemeenschap en op het vervullen van de eigen levensvervulling. Virtuele (social media) verbondenheid kan hier aan bijdragen, maar zal in de praktijk meestal juist vaak het omgekeerde bewerkstelligen: mensen uit hun hier en nu halen, vanuit de flow van verbondenheid en inspiratie naar een afstandelijke oppervlakkigheid van algemeenheden en objectivering van onze verschijningsvormen. Met elkaar, lokaal, bouwen aan onze leefomgeving – decent work – zou een transitie richting de Sustainable Development Goals van de United Nations kunnen bewerkstelligen en daarmee klimaat-, diversiteit-, forest-, en de demografische transitie kunnen bewerkstelligen! Bouwen aan evenwicht in diversiteit in plaats van in eenheid, om veelkleurig menselijk te kunnen zijn, zowel zwak en kwetsbaar, als verbonden door taal in plaats van door data. Al werkend – divers, verbonden, lokaal en kleinschalig – kunnen we beginnen de oorlog te verlaten!

vrijdag 5 november 2021

Transities (2): Arbeid als transitie domein

Vorige week schreef ik over de grote transitiedomeinen: klimaat, milieu, forest, demografie en arbeidsmarkt. Hoewel deze domeinen alle 5 van vitaal belang zijn voor ons voortbestaan, sluit de arbeidsmarkt transitie het meest aan op ons lectoraat. Over klimaat - de gevaren van klimaatverandering - hoeven we het in de week van de klimaattop in Glasgow niet te hebben. Direct hieraan gerelateerd is de afname van biodiversiteit, waardoor het milieu waarin we leven en waaruit we ons voeden gevaarlijk vervuild en/of schaars wordt. 

Hoopvoller is de demografische transitie, die spontaan ontstaat als de welvaart over langere tijd toeneemt. Naarmate een regio welvarender is, treedt een afname van (kinder)sterfte op, met als gevolg een toename van jongeren, waarna, met name door de emancipatie die gewoonlijk volgt op toename van welvaart, het aantal geboortes per moeder/gezin hard gaat dalen. De bevolkingsgroei komt tot stilstand op een hoger aantal inwoners en is dus niet oneindig. Berekend is dat als alle landen van de wereld een redelijke welvaartstand verkrijgen (inclusief emancipatie: volledige toegang tot onderwijs en banen voor alle vrouwen), er stabiel ongeveer 13 miljard mensen op de planeet zullen zijn. Dit is echter slechts mogelijk, indien we op een andere wijze met landbouwgrond omgaan, en dat kan alleen als we massaal veel minder (of geen) vlees eten en dus stoppen met ontbossing. De forest-transitie laat zien dat bij welvaart in eerste instantie bossen (en andere natuurgebieden) worden opgegeven ten gunste van de industrie, urbanisatie en landbouw, om vervolgens ruimte-innemende bedrijvigheid naar minder welvarende delen te verplaatsen, waardoor in eigen land de natuur weer de ruimte krijgt (en neemt) om te verwilderen. Als nergens meer sprake is van "minder welvarend", kan deze verplaatsing niet, en moeten we dus stoppen met factory farming!

Juist arbeid kan een sleutelrol spelen bij deze 5 vitale transities. Er zijn aanwijzingen dat dit ook juist nu gebeurt. Zo schrijven Klotz en Bolino (2021) dat mensen in de arbeid graag de connectie met de natuur willen maken. Sinds de Corona pandemie is er tevens sprake van de zogenaamde Great Resignation (de grote ontslaggolf), een totale herbezinning (vooral in de US). Vier factoren leiden hierbij volgens Klotz (zie Klotz et al., 2021; Sheather et al., 2021) tot het zelf nemen van ontslag: 1. burn-out, 2. her-evaluatie van de prioriteiten in het leven, 3. de wens om ook na corona vanuit huis op de zelf gekozen tijd te blijven werken en 4. een combinatie hiervan. De Coronacrisis blijkt dus voor veel werknemers een moment van reflectie of evaluatie geworden: “Waar sta ik, is dit nu het werk en leven waar ik achteraf met trots op kan terugkijken”. Corona markeert zo een kantelpunt, in een proces dat al lang gaande was, met daarin ook “downshiften” op de carrièreladder, richting minder verantwoordelijkheid. De ILO (International Labour Organization, onderdeel van de United Nations) definieert decent work vanuit de Sustainable Development Goals: werknemers staan als mens in het hart van ontwikkeling naar een toekomst die inclusief en duurzaam is: jeugd, vrouwen en mannen. Waardigheid, gelijkheid, een eerlijk inkomen en veilige werkomstandigheden zijn de kernwaarden.

Dit is minder triviaal dan het wellicht lijkt. Veilige werkomstandigheden, bijvoorbeeld, zijn zelfs voor een manager of openbaar bestuurder, juist ook door smart technology, niet meer te garanderen: iedere stap die gezet wordt, is zichtbaar en er zijn altijd stemmen in veelvoud op bijvoorbeeld twitter die alles direct uitvergroten, met je oneens zijn en via dreiging (terreur) krachtig mee trachten te sturen. Ook in bedrijven zijn zoveel regeltjes en potentiële bedreigingen, dat afwijken van de norm enerzijds uiterst welkom is en tegelijkertijd totaal niet acceptabel. Hierdoor worden creatieve en krachtige managers gemangeld. Het managen van een bedrijf of land staat verder af van decent work dan ooit, waardoor veel (ex-)managers via de Great Resignation  “downshiften” naar b.v. koerierswerk en zo ontsnappen aan alle (onfatsoenlijke) aanvallen op de persoonlijke integriteit. Als je dan echter per seconde wordt gevolgd met "slimme" tracking & tracing-technologie, wordt het van kwaad tot erger (volgende week deel 3). 

Klotz, A. C., & Bolino, M. C. (2021). Bringing the great outdoors into the workplace: The energizing effect of biophilic work design. Academy of Management Review, 46(2), 231-251.

Klotz, A. C., Swider, B. W., Shao, Y., & Prengler, M. K. (2021). The paths from insider to outsider: A review of employee exit transitions. Human Resource Management, 60(1), 119-144.

Sheather, J., & Slattery, D. (2021). The great resignation—how do we support and retain staff already stretched to their limit?. bmj, 375.

donderdag 28 oktober 2021

Transities (1): Energie transitie, klimaat transitie, arbeidsmarkt transitie?

We staan er vaak niet bij stil, hoe ontzettend veel we de wereld moeten aanpassen om een technisch systeem ergens goed voor te kunnen inzetten. Neem een auto. Op de vraag “Is een auto sneller dan een mens” zegt iedereen " JA". 

Maar het ligt veel gecompliceerder. Een auto is überhaupt slechts tot mobiliteit in staat in de handen van een mens, of beter, een heel scala aan mensen uit zeer uiteenlopende disciplines: van werktuigkundig ingenieurs tot wegenbouwers, van MBA ’s tot marketeers, en van bestuurders tot passagiers. Onze wereld is volledig omgebouwd om auto's met al hun beperkingen te kunnen laten functioneren: netwerken van wegen, die continu vrij van kuilen of obstakels gehouden moeten worden, andere infrastructuren (tankstations, oplaadpalen en onderhoudsdiensten), etc. Kortom, slechts onder extreem goed aan automobiliteit aangepaste  omstandigheden – waarbij hele landen er voor kiezen om grote delen van hun land met grote investeringen geschikt te maken voor automobiliteit – , kan een auto worden gebruikt voor snelle verplaatsingen.

Automobiliteit is een dure keuze, maar dat zijn we ons meestal niet bewust. Met betrekking tot snelle mobiliteit zijn we wellicht nu te laat om drastisch andere keuzen te maken.

Met betrekking tot bijvoorbeeld Artificiële Intelligentie (AI) niet. We lezen vaak dat door AI straks computers slimmer zijn dan mensen. Net als met auto's geldt: niet sneller, niet slimmer, maar in een enorm goed voorgesorteerde wereld, kunnen algoritmes bepaalde menselijke deelfunctionaliteiten sneller en (schijnbaar) slimmer uitvoeren, uiteraard opnieuw uitsluitend in menselijke handen. Als mens kunnen we keuzen maken met betrekking tot de wereld van morgen. Willen we bijvoorbeeld in een wereld leven waarin schijnbaar autonome apparaten allemaal schijnbaar slimme dingen doen? Internationale samenwerking mbt automobiliteit is geweldig succesvol gebleven. Nu moeten we echter aan de bak richting duurzaamheid, richting transities.

We moeten gaan snappen dat wij - mensen, maar ook alle andere levende organismen - met het oog op AI net als bij automobiliteit uiteindelijk zullen moeten buigen voor de (virtuele) snelwegen die, om kunstmatige intelligentsia te kunnen inzetten, door de metaforische natuurlijke biotopen en bossen heen gelegd zijn. Ondertussen hebben we wel geleerd dat (ook nieuwe) technologie niet altijd de oplossing biedt; de problemen die we ons in het verleden op de hals hebben gehaald, bv met een luxeleven met snelle mobiliteit over grote afstanden, maken nu een klimaat- en milieutransitie uiterst noodzakelijk voor de toekomst van onze soort en planeet. Meer minder, minder meer, minder welvaart, meer welzijn, consuminderen!

Als je het cynisch bekijkt, zou je haast denken dat het voor een technisch systeem niet eens zo moeilijk is om slimmer te zijn dan Homo Sapiens. Waarschijnlijk is dit onnodig cynisme. Ja, we staan voor een aantal grote transitieopgaven, maar juist ons succes - zij het op de "verkeerde" snelwegen - hebben bewezen dat we dat kunnen. Volgende week ga ik dieper in op de vereiste transities.

In sneltreinvaart: als we van de fossiele brandstoffen af kunnen, en duurzame energie kunnen opwekken, bijvoorbeeld door natuurlijke bronnen te benutten (zon, wind), kunnen we onze toekomst (voorlopig) verduurzamen. Als we van de massale landbouw ten behoeve van de vleesindustrie af kunnen (omdat we niet perse met 8 miljard mensen als pure carnivoor kunnen leven!), kan enorm veel bos opnieuw ontstaan, en zo biodiversiteit worden teruggewonnen. Met de oceanen is men al heel goed bezig, in grote gebieden mag niet meer (continu) industrieel gevist worden, waardoor de diversiteit weer aan het toenemen is. In de rijke landen zien we de zogenoemde Forest Transition: met de opkomst van landbouw/industrialisatie/urbanisatie verdwijnt bos, op de toename aan welvaart volgt vervolgens uiteindelijk weer een netto toename van bos. Ook zien we de vergelijkbare Demographic Transition: op toename van de levensstandaard volgt bevolkingsgroei, die later stabiliseert en vervolgens licht krimpt. Een eerlijke verdeling van de welvaart over de wereldbevolking, alsmede een grote mate van (vrouwen)emancipatie, zijn voorwaardelijk voor deze transities, die noodzakelijk zijn om met 13 miljard mensen een duurzame toekomst te kunnen hebben op onze planeet. De transities kunnen slechts zeer ten dele aan de markt worden overgelaten: oneindige groei uit eindige middelen is onmogelijk. Volgende week betoog ik dat juist het recht op waardig werk een kentering kan betekenen (wordt vervolgd).

donderdag 21 oktober 2021

Uit de kunst, over ontsnapping aan “self-objectification”!

In de psychologische literatuur zien we de laatste 5 jaar een stijging in het aantal artikelen over de invloed van sociale media op het zelfbeeld, en zo wordt er bijvoorbeeld gesproken van het “self-objectification phenomenon” (Calogero et al., 2011), vaak vooral in verband gebracht met (jonge) vrouwen en meer en meer ook mannen. Er wordt gekeken naar schadelijke effecten (op het lichaamsbeeld, de ervaren kwaliteit van leven en mentale gezondheid) van blootstelling aan sexueel suggestieve en objectiverende content op de sociale media. In de filosofie is er echter al bijna 200 jaar belangstelling voor zelfobjectivering, zeker sinds de opkomst van de fotografie in het midden van de 19e eeuw, wanneer mensen hun beeld proberen los te koppelen van het fysieke bestaan. Tamelijk willekeurig beginnend met Nietzsche en via Kierkegaard, Heidegger, Arendt naar Dreyfus vinden we denkers die stellen dat ons kennen altijd belichaamd is (embodied cognition), terwijl Plato en later het christendom proberen het kwetsbare lichamelijke weg te denken. In 2001 schrijft Huber Dreyfus een boek over een derde poging in een dus lange traditie om het lichamelijke te overstijgen: On the internet, waarin het Internet opvoert als een technologische “enframing” van het zijn, doen en laten. Hij ziet (dan al!) grote gevaren, maar is niet louter negatief: "as long as we continue to affirm our bodies, the Net can be useful to us in spite of its tendency to offer the worst of a series of asymmetrical trade-offs: economy over efficiency in education, the virtual over the real in our relation to things and people, and anonymity over commitment in our lives” (Dreyfus 2001, pp106-107).

 

Of het nu het nieuwe blended leren betreft (“economy over efficiency”), of onze sociale media “vrienden” waar we graag waardering van ontvangen (“the virtual over the real in our relation to things and people”), of onze afstandsarbeidsmarkt en economie met thuiswerken en onlineshopping over de hele wereld (“anonymity over commitment in our lives”), voor een Argument Based-denker zoals Dreyfus waren deze risico’s van het internet al zichtbaar voordat het goed en wel begon! Dit is belangrijk om bij stil te staan. Zeker, we zien nu (ruim 1 decennia later) de evidentie verschijnen. Maar het (technologisch) nihilisme, waarin we in de nieuwste - internet/social-media variant – een geobjectiveerde versie van onszelf aan de wereld presenteren, is al veel en veel langer gaande. Denk aan IQ scores of, nog daarvoor, diploma’s, die een “bewijs” en liefst ook garantie zouden moeten geven dat jij in staat bent (in een subversie van de realiteit) jezelf te ontwikkelen - IQ, toelatingsexamens, etc. – of een gewenste bijdrage te leveren (naast diploma’s ook het portfolio, bv in de context van werk), of op z’n minst anderen niet in gevaar te brengen (bv een rijbewijs).

 

Bij elkaar vormen dergelijke abstracties een geobjectiveerde - ver-ding-de – versie van jezelf. Ze zijn dat echter niet; noch de verhalen die we elkaar en onszelf vertellen, noch de roem of rijkdom die we verwerven gelden als materiele verdubbelingen van onszelf. Hooguit gelden ze als niet materiele bron van zelfvertrouwen (of angst), of als materiele bron voor onze leefomstandigheden. Met het internet komt onze digitale tweeling zo veel makkelijker tot ontstaan. Het internet draagt in sneltreinvaart bij aan onze “technological enframing of being”: wij zijn onze foto’s, onze gelikete verdiensten, onze aanbevelingen, en helaas ook onze vergetelheid, ons niet gezien worden, onze non-existentie. Kortom, wij zijn ons virtueel dubbel. 

 

Digitale techniek maakt het zo makkelijk ons te laten screenen en in batches in de etalage te laten zetten, vaak onopgemerkt, op basis van de digitale kruimels die we bij zoekacties op het net of (dis)likes op de sociale media achterlaten, met daaraan toegevoegd onze “officiële” portfolio’s, diploma’s of erkende verdiensten. Maar … in ons menszijn zijn we allen zoveel meer dan onze foto’s, vaardigheden, handicaps, of de (klets)praatjes die anderen of wijzelf vertellen. Kortom, tijd om terug te keren naar een embodied existence, en digitalisering iets minder als vanzelf als de toekomst op te vatten. Weg van de schuwpest (prachtige term van Mellius), de angst voor het fysieke, we zijn allen uit de kunst! 

Calogero, R. M., Tantleff-Dunn, S. E., & Thompson, J. (2011). Self-objectification in women: Causes, consequences, and counteractions. American Psychological Association.

Dreyfus, H. L. (2001). On the Internet. Abingdon: Routledge

donderdag 14 oktober 2021

Time for a change?

Volgens de in 2017 overleden AI-filosoof Hubert Dreyfus kenmerkt onze tijd zich door technologisch nihilisme, zoals de tijd voor de verlichting gekenmerkt werd door Christelijke waarden (specifiek heiligen en zondaars) en bijvoorbeeld de Griekse tijd door helden en slaven. Hij stelt dat technologie tot nihilisme leidt, omdat het aanzet tot een fixatie op het beste uit alle mogelijkheden proberen te halen, en zo rusteloos continu trachten alles zo te manipuleren dat dit lukt, waarbij we “don’t get deeply involved into anything, staying at the level that we can manipulate everything” (interview https://www.youtube.com/watch?v=u_zNHOzDP7w). Nihilisme, waarbij we steeds passiever worden (meer consumerend dan producerend), al veel eerder mooi verwoord in The Present Age door Søren Kierkegaard in 1846: A revolutionary age is an age of action; ours is the age of advertisement and publicity. Nothing ever happens but there is immediate publicity everywhere. In the present age a rebellion is, of all things, the most unthinkable”. Markant in deze context is hoe in 2017 Hubert Dreyfus zijn eigen overlijden wereldkundig maakte in een tweet: “Reports of my demise are not exaggerated.”

Interessant is de kritiek op de systeemwereld, die bij Kierkegaard (opnieuw) begon en via grote denkers als Heidegger, Hannah Arendt en Habermas terecht komt bij Hubert Dreyfus en zijn broer Stuart (wiskundige en een grootheid op het gebied van neuronale netwerken), bijvoorbeeld in hun boek Mind over Machine (1987). Technologie, en nog breder, de systeemwereld, koloniseert de leefwereld van mensen, simplificeert mensen tot consumerende en manipuleerbare schakels in een economisch imperatief: oneindige groei uit eindige middelen. Nu lezen we bijvoorbeeld dat in onderzoek is bewezen dat Instagram bijdraagt aan het objectiveren van personen en dat de beelden op de sociale media worden geïnternaliseerd, waardoor de eigenwaarde en het zelfbeeld meer dan ooit worden gekoppeld uiterlijke verschijning (vooral bij jongeren). Nieuw onderzoek toont aan dat dit gemiddeld genomen leidt tot schaamte, angst, depressie en bijvoorbeeld eetstoornissen (Engeln et al., 2020). In de tijd van Kiekegaard werden de eerste foto’s gemaakt, en begon dus het objectiveren van het uiterlijk, nadat al enkele eeuwen spiegels mede waren begonnen bij te dragen aan het zelfbeeld (Jan Willem de Graaf: Beeltenis). Overigens goed om hier duidelijk te maken dat met dit systeemdenken niet bedoeld wordt het denken vanuit een dynamisch systeemmodel (zie mijn blogs hierover: Jan Willem de Graaf: De Brug (4, slot)). 

Het onderzoek van Engeln et al. laat ook zien dat zelfs de aanwezigheid van spiegels of een aan het uiterlijk gerelateerde ontvangen opmerking de cognitieve prestaties al doet afnemen, door een verminderd executief functioneren (aandacht gaat weg van leren naar je eigen positie tov anderen).

Helaas, juist nu we al deze kennis hebben – er is een nog steeds groeiend bestand aan peer-reviewed artikelen onder de noemer “social media induced depression” en “social media induced anxiety” - zou je verwachten dat bigtech bedrijven hun verantwoording nemen. Helaas is niets minder waar. Vandaag lezen we bv in de krant dat Netflix een mi smakeloze serie online heeft gezet, waarin mensen die door het systeem arm zijn geworden, de kans krijgen met het spelen van een kinderspelletje òf te winnen en uit hun schulden te kunnen komen, òf te verliezen en op brute wijze te worden vermoord, ter vermaak. Helaas was er een foutje met de leeftijdsgrensbepaling, Netflix had die op 12 jaar bepaald, waardoor in de UK en in Nederland al vreselijke naspeelpartijen zijn waargenomen onder kinderen. Het is tijd voor verandering.

We laten voor ons nageslacht een erfenis achter: een verminderde diversiteit en een uitgebuite planeet. Alsof het niet genoeg is, maken we miljoenen foto’s per dag die we in de cloud opslaan voor het nageslacht. Zelfs is er een nieuwe technologie die het brein volledig onbeschadigd bij het sterven voor duizenden jaren beloofd te kunnen bewaren, zodat toekomstige generaties alle gedachten in een computerwerkelijkheid zouden kunnen uploaden: Mind-uploading (Nectome). Als je dan niet gelukkig bent onder de kolonisatie van de systeemwereld – het technologisch nihilisme – hebben we in ieder geval een technologische hemel in het verschiet. Hubert Dreyfus zou veel meer gelezen moeten worden!

Engeln, R., Loach, R., Imundo, M. N., & Zola, A. (2020). Compared to Facebook, Instagram use causes more appearance comparison and lower body satisfaction in college women. Body Image, 34, 38-45.


Wind onder de vleugels... Op een inspirerende vakantie!

Op de valreep voor de vakantietijd, voel ik me altijd weer wat ontheemd. Enerzijds is het heerlijk om uit de routines te stappen, en samen m...