donderdag 15 juli 2021

Vakantie 2021: To count or not to count …

Alweer is het academisch jaar voorbijgevlogen. Een bijzonder jaar, waarin ik vanuit mijn huis overal over de wereld colleges gaf en overleggen bijwoonde. Zojuist heb ik ze netjes in het repository opgeslagen, zodat mijn bazen in een oogopslag mijn werk kunnen beoordelen via een paar getallen: zoveel publicaties, zoveel lezingen, kennisproducten, gehonoreerde aangevraagde budgetten etc. Kengetallen, waarmee mijn functioneren gekend wordt. Ook buiten het werk zijn we gek op het kwantificeren. Een willekeurige greep uit de NOS Nieuwssite.

De nieuwbouw van een prestigeobject, zoals een nieuw museum, parlementsgebouw, wegknooppunt of metrolijn is weer zoveel % duurder uitgevallen dan was afgesproken. Van de mensen die vorig voorjaar Corona hadden, hebben 10.000 tot 15.000 een half jaar later nog steeds serieuze klachten, waarvan 30% tussen de 20 en de 40 is. Het aantal transplantaties in 2020 van organen die na overlijden zijn afgestaan, daalde met 4 procent ten opzichte van 2019. Meer psychologisch: Geef je leven een cijfer tussen de 1 en de 10? Hoe goed functioneer je nu in vergelijking met voordat je de aandoening had, of de therapie begon? De quantified self, ik kan pas rustig gaan slapen als mijn smartwatch me vertelt dat ik voldoende stappen heb gezet.

Ik tel dus ik ben. In dit interview uit 1958 (!) betoogt schrijver/filosoof Aldous Huxley (1894 – 1963) dat we aan een combinatie van overbevolking en ongebreidelde technologische “vooruitgang” onze vrijheid “vrijwillig” zullen gaan overdragen aan overorganisatie (“bureaucracies of big business or big governments”): een gemechaniseerde quantified world community. De twee meest gelikete reacties onder het interview op YouTube: “Remarkable that we must listen to an interview from 1958 to understand what's happening in 2021” (van TimBimJim met 1,8k likes) en “Over 60yrs ago and Huxley saw it coming. Now it’s literally happening in front of our very eyes and most people still can't see it” (Lucius Domitius, 1,4k likes). Cijfers lijken noodzakelijk om duidelijk te maken waar we het over hebben. Zijn ze niet ook, in lijn met Huxley,  een waan van feitelijkheid, waarmee we zand in de ogen strooien van hen die trachten door te denken?

Ja en nee. Ja, we verheffen cijfermatige data – inclusief het schijn-telbare, zoals een cijfer voor geluk, tevredenheid, gezondheid, sportiviteit, etc. – vaak boven elke andere vorm van data. In de hiërarchie van data, informatie, kennis, wijsheid bestaat data dan automatisch uit een cijfer. Dat is natuurlijk niet vanzelfsprekend, data kan ook een kwalitatief gegeven (feit) zijn. Zelfs “feiten” zijn altijd in verandering. “Vaste” feiten zijn dat vooral omdat ze relatief aan de tijdschaal waarop wijzelf veranderen “onveranderlijk” lijken. Het aantal publicaties per jaar zegt feitelijk niets over de inhoud, het ziekteverzuimpercentage binnen je team gaat niet vanzelfsprekend over de sfeer binnen je team. We vergelijken vaak appels met peren, omdat we in de cijfers uit het oog verliezen waar ze naar verwijzen. Een publicatie in het ene wetenschapsgebied is echt iets heel anders dan in een ander vakgebied. Er zijn studies waarin praktisch iedereen of juist niemand aan de slag komt in het vak waarvoor opgeleid wordt. Er zijn studies waarin een jaar na afstuderen praktisch iedereen of niemand aan de slag komt. En 5 jaar later kan dit anders of zelfs omgekeerd zijn. 

Enkele weken geleden lazen we in de Volkskrant dat in Nederland enkele honderden tot duizend pas afgestudeerde medisch specialisten geen passend werk kunnen vinden, ondanks dat bij het UVW “slechts” 140 werkloze specialisten staan geregistreerd (verschil omdat jonge specialisten tijdelijk andere banen vervullen). Kennis van de werkelijkheid achter de cijfers leert ons dat in het organisatie/verdienmodel van ziekenhuizen de zorg wordt geleverd met structureel specialisten in opleiding. Afgestudeerde specialisten kunnen daardoor alleen instromen bij uitbreiding van de zorg, of vertrek van huidige specialisten.

Nee. Om cijfers te begrijpen – om er mee te kunnen redeneren – heb je inzicht nodig, dan zijn ze zeker nuttig. Verbouwingen die steeds duurder uitvallen, bijvoorbeeld, zijn een gevolg van de aanbestedingsprocedures, die bouwers verleidt irreëel goedkoop te bieden, om dan als de klus eenmaal binnen is, op te plussen. Publiceren om het publiceren, opleiden om het verdienmodel, aanbestedingen winnen (wetenschap, bouw) om het winnen, het zijn allemaal voorbeelden waar het zicht op de werkelijkheid achter de cijfers verloren is gegaan. Met een gewonnen aanbesteding, heb je nog geen bouw- of onderzoeksproject gerealiseerd. Integendeel, “paren” zoals winnen en werken, publiceren en kennisontwikkeling zijn door on-inzichtelijke fixatie op cijfers uit elkaar gegroeid.

Maar nu is het bijna vakantie en genieten we van Bauke Mollema, die deze week een lastige etappe in de Tour de France won na een solo van ca 40 km. Waar elke profrenner tegenwoordig een ‘kastje’ op zijn/haar stuur heeft waarop via de joules afgelezen kan worden of iemand op de limiet rijdt, of nog meer energie kan leveren tot de finish, moet Mollema als hij fietst niets hebben van dit soort cijfers. Hij rijdt op ervaring en vooral intuïtie. Wens ik jullie allen een hele fijne vakantie, met veel intuïtie en vrijheid!  

PS na de vakantie kom ik terug met mijn blog. Graag wil ik mijn dank uitspreken aan mijn blogredactie (Gerard, Victorine, Deborah en Thorvald) en in het bijzonder de “hoofdredacteur” Gerard Kok


donderdag 8 juli 2021

Babylon voorbij?!

Als er één positief aspect is van smart technology, dan is het wel dat het grootste nadeel ook het grootste voordeel is: technologie unificeert, vooral doordat het globaliseert (of beter, koloniseert). Culturele diversiteit staat daarmee onder druk, maar doordat we wereldwijd de wereld door dezelfde streamingdiensten en sociale media apps tegemoet zijn gaan treden, spreken we meer en meer dezelfde beeld-, muziek en spreek/schrijftaal. En voor ons is die spreek/schrijftaal, het Engels, enorm dicht bij huis, want samen met het Duits en ons Nederlands vormt ze tot zeer verwante groepje West Germaanse talen. Zo krijgen wij de wereld, nog net iets minder dan de Engelstalige landen, praktisch op een presenteerblaadje. Weg Babylonische spraakverwarring!

Of het nu in Johan Cruijff termen vooral “ieder nadeel heb z’n voordeel” - technologie brengt de afname in diversiteit, met als voordeel een geünificeerde mensheid – is, of “ieder voordeel heb z’n nadeel” - technologie biedt welvaart en eenheid, met als nadeel afname in diversiteit – laten we nu in het midden. Waar je ook op de wereld komt, overal kan je je mobiele device opladen, met Engels terecht, en is dezelfde technologie in meerdere of mindere mate beschikbaar. Overal op de wereld zijn we met zonne-energie  bezig en met hoe we die kunnen opslaan, in accu’s, of als potentiële energie, die op momenten dat er geen zon is kan worden omgezet in kinetische energie en dus ook elektriciteit. We beseffen niet hoe bijzonder het is, dat jonge mensen (onder de 25 tot 30) allemaal in staat zijn Engels te begrijpen. Engels en technologie als koloniserende krachten, hebben bereikt wat voor duizenden jaren onmogelijk heeft geleken: de Babylonische spraakverwarring is goeddeels aan het verdampen, precies nu! Wat een fantastische tijd!

De 19de en 20e eeuw wiskundige/filosoof Bertrand Russell (interview door Romney Wheeler) stelde in 1952 dat oorlog overbodig zou worden indien een wereldregering alle wapens en (toen nog vooral in de wetenschap ontwikkelde) nieuwe technologie zou beheersen. Dit zou volgens hem een absolute voorwaarde vormen voor een veilig en gelukkig leven in de (toen nog) industriële samenleving. Russell: “If war is not impossible, every advance in scientific technique, means an advance in mass murder and is therefore undesirable”. Zonder zo’n absoluut machtsorgaan, zou technologische innovatie onwenselijk zijn. Om dit te bereiken zou economische gelijkheid tussen alle regio’s een voorwaarde zijn, net als een gecontroleerd (stabiel) aantal inwoners per regio. Momenteel is er voldoende voedsel voor iedere wereldburger, hoewel de distributie zeer problematisch is: er wordt jaarlijks voor 3 keer de wereldbevolking geproduceerd, maar helaas heel veel onaangeraakt doorgedraaid, waardoor er meer mensen zijn en daarmee meer honger is (!) dan ooit te voren. Technologische innovaties ontwikkelen zich steeds meer buiten de wetenschappelijke laboratoria. Ook politiek verloor terrein; Russell’s “wereldregering” werd een aantal “schaduwkabinetten”, steeds meer gekoloniseerd door BigTech en BigPharma. Maar wat met de Bijbel niet gelukt is, is technologie en het Engels wel gelukt. 

Praktisch alle menselijke culturen op de wereld zijn gekoloniseerd door zowel het Engels als wereldtaal, als door (smart) technology. Beide “kolonisten” sijpelen door in iedere menselijke ziel over de hele wereld, economisch gedreven vanuit de marketing formules van BigTech. Wat Russell niet kon vermoeden, is dat uiteindelijk de grenzen zouden vervagen, waardoor politiek bestuur zich van de frontlinie zou verplaatsen naar de achterhoede. Zo dreigt bestuur een achterhoede aangelegenheid te worden, in een wereld die steeds meer geregeerd wordt door multinationals, die de mensen al doende hebben geschoold in één wereldtaal en heel veel smart technology, die bovenmenselijk tot in de ziel van iedere wereldburger een rol speelt. Net zoals in oude tijden vrome lieden God voelden in ieder aspect van hun bestaan, dromen en leven wij (smart) technology, die niet meer weg te denken is uit ons bestaan. Ja, we zijn nu allemaal gekoloniseerd, uit een hoek die praktisch niemand verwachtte, maar die Babel’s spraakverwarring met de grond gelijk heeft gemaakt. Een BigTech Babylon herrijst; we profiteren van de multinationals en alle producten die ze serveren maar worden daarbij door hen gekoloniseerd. Zal het ooit tijd zijn voor excuses en herstelbetalingen, zoals eerder voor ons slavernijverleden? Wat een wonderlijke tijd!


donderdag 1 juli 2021

Toverstokje

Als je een auto zoekt, of een hond wilt gaan verzorgen, zijn er vele zaken waar je om zult denken. Als je bijvoorbeeld elke week je drumstel wilt meenemen naar de repetities met je band, valt een tweepersoons sportwagen af. Als je slechts geld hebt voor een derde- of vierdehands auto, valt een strakke elektrische auto af. Hetzelfde geldt voor een hond, hoe lief een Duitse Dog over het algemeen ook is, voor een 75 plusser op een klein appartementje, is een Chihuahua waarschijnlijk een praktischer keus. Met andere woorden, er is een zeer uiteenlopend aanbod, en ook aan de vraagkant is nogal wat diversiteit. Op de arbeidsmarkt is dat niet anders. Als je iemand zoekt om mensen geduldig in te checken in een hotel, is het niet nodig dat deze persoon over uitmuntende kwalificaties als hersenchirurg beschikt, net zo min als dat een liftbediende niet perse een formule 1 kampioen hoeft te zijn geweest. Maar in vacatureteksten wordt nogal eens gedaan, alsof de precieze omschrijving van de gewenste karakteristieken een halszaak is. Dat als je bijvoorbeeld een psycholoog zoekt, je er wel bij moet zeggen dat hij/zij taakvolwassenheid van de overige teamleden moet respecteren, of, nog platter, een geduldige persoon moet zijn die zelfstandig kan werken, of dat je een vrachtwagenchauffeur zoekt die zich aan de verkeersregels houdt en bovendien communicatief vaardig is.

Natuurlijk snap ik dat een vacature een mogelijkheid biedt om reclame voor je onderneming te maken, en dat dergelijke open deuren dan de cultuur uitdragen waarmee je jouw bedrijf graag wilt afficheren. Met name de zogenaamde tijdsgebonden codewoorden – duurzaamheid, bijdragen aan maatschappelijk verdienvermogen, een transparante cultuur, om er maar een paar te noemen – mogen dan niet ontbreken. Maar het is magisch denken als je toch echt denkt dat er bijvoorbeeld andere wiskundedocenten, of onderwijsteamleiders reageren als je twee lekker klinkende opendeuren toevoegt, of juist weglaat. Geloof hechten aan een toverstokje, vind ik dan een leukere vorm van magisch denken. Dus in de vacature tekst gewoon gezocht: docent Engels, en dan met kleine letters erbij dat de kandidaat na aanname met een toverstokje zal worden ingewijd. Want laten we eerlijk zijn, je kan op papier een uitstekende kandidaat zijn, de werkelijkheid is wat mensen er met elkaar van maken. Technologie unificeert, en dat geldt ook voor methodologie (waaronder multinational/technology brands). Overal werken we met dezelfde machines of systemen, zoals Teams en Zoom. Werknemers zijn hierdoor in hun mogelijkheden om te gaan werken steeds minder begrensd, letterlijk en figuurlijk. Of juist, steeds meer technologisch begrensd, waarbij dezelfde grenzen overal gelden. C# programmeren in Nederland is niet anders dan in India, net als dat receptiewerkzaamheden van het Hilton in Amsterdam veel overeenkomsten hebben met die van het Hilton in Bandung.

Met het idee dat mensen, dingen en dieren een set “vaste” eigenschappen zijn, die zorgvuldig gekozen en geselecteerd moeten worden, gaan we voorbij aan het enorme adaptatievermogen, waarmee we nu met ons holbewonersbrein leven in een volledig getechnologiseerde wereld. Maar overal geldt “It takes two to tango”. Dus of de zojuist geselecteerde en aangenomen leidinggevende een tiran zal blijken, of een fijne faciliterende en ondersteunende manager, ligt vooral ook aan het team. Indien niemand initiatief neemt uit zichzelf, zal het initiatief steeds meer van de manager gaan komen. Immers, dat is de enige mogelijkheid om binnen deze grenzen iets gedaan te krijgen. De bazige baas wordt gecreëerd en indien succesvol, geprolongeerd. De enorme focus op vacatureteksten/recruitment maakt wellicht dat er voorbijgegaan wordt aan waar het echt om gaat: het proces van (samen) werken. Blind geloof in selectie en recruitment (zelfs met AI algoritmes) is een vorm van (zwaar verouderd) entiteitsdenken, in het verlengde van de aloude zoektocht naar de wiskundeknobbel, of de taalknobbel (knobbelkunde, ofwel frenologie). Slordig denken, waarbij de recruiter altijd gelijk heeft: indien de kandidaat succesvol blijkt, is er juist geselecteerd. Indien niet, te veel onrust! Dit lijkt op het bezweringsritueel van vogels die vanuit hun nest naast de weg iedere auto wegjagen. Met succes: de auto’s komen nooit in de boom!

Het allerbelangrijkste is dat je in de samenwerking een leuke/goede collega bent! Om vrienden te hebben, moet je een vriend zijn, om een goede collega te hebben, moet je een goede collega (medewerker/leidinggevende) zijn. Sollicitanten door een selectieringetje halen, is mooi, maar de meeste sollicitanten zullen echt wel ongeveer voldoen aan het profiel. De rest, daar gaat het om. Natuurlijk bestaan er individuele verschillen. In tegenstelling tot een Chihuahua past een volgroeide Duitse Dog niet in een rugzak. Maar na de sollicitatieprocedure is het nog maar afwachten of je met elkaar de juiste keuze hebt gemaakt. Alles kan veranderen, ik heb hier met het thuiswerken veel steun gehad aan mijn Friese Stabij, Duitse Dog en sinds kort Labrador pup, naast mijn boekenkast en collega’s via Teams op afstand. Samenwerken hangt van zoveel voorziene en onvoorziene factoren af, dat het sollicitatieproces daarmee vergeleken nogal arbitrair is. Illusie, bezwering? Dan maar liever … een toverstokje!


donderdag 24 juni 2021

Entitativiteit; wat psychologie van muziektheorie kan leren!

Juist tijdens de Corona crisis is er veel onderzoek gedaan naar entitativiteit, een begrip dat een groep in plaats van een individu als de basiseenheid (entiteit) van onderzoek ziet. Zo’n groep kan een lage entitativiteit hebben, zoals de mensen die toevallig bij elkaar op een bus staan te wachten, en een hoge entitativiteit, als al die wachtenden “toevallig” allemaal een lange baard hebben, zwaar getatoeëerd zijn en een leren motorjack dragen met de naam van een motorclub. Bij werkoverleggen en besprekingen is er in een team ook altijd sprake van een hogere entitativiteit, maar, zo merken diverse wetenschappers op, tijdens het via Teams werken met de Corona crisis, dreigt de entitativiteit te verlagen. Dit zou de teamprestaties verlagen. Eerlijk gezegd vallen de aanbevelingen me, zoals vaker bij psychologisch (of breder, sociaal wetenschappelijk) onderzoek, tegen: Stel gezamenlijke doelen, vergader op vaste momenten en neem tijd om even te acclimatiseren via small talk. Zo zou de teamspirit gevoed worden.

Soms vraag ik me af wat het nut is van open deuren, juist peer-reviewed psychologie lijkt hierin te grossieren. Toegegeven, zo’n open deur is dan weer wel volgens beproefde onderzoeksopstellingen en methodieken “bewezen”. Maar op dergelijk bewijs valt altijd praktisch alles weer af te dingen, en, toegegeven, het houdt ons wel van de straat. En op straat zullen de meeste psychologen elkaar niet herkennen, zoals Harley Davidson rijders dat wel doen. Onze entitativiteit, met andere woorden, is niet hoog, we zijn hooguit zichtbaar in het elkaar de maat nemen, achter de schermen, in redacties en panels van bijeenkomsten en vakbladen. En dan ook nog een maat, die alleen voor andere “ingewijde” te herkennen valt: tijd, plaats en voorkennis gebonden. Maar waar is de creativiteit? Waar zijn de spannende grotere visies?

Dergelijke visies behoren vooral tot het verleden, toen mensen als Freud, Piaget, Erikson en Kahneman met serieuze overstijgende visies kwamen, waar ook niet-psychologen iets mee kunnen. En natuurlijk is het niet allemaal absoluut waar. Maar ik zie mijn dochter een scriptie over identiteit schrijven, voor haar psychologiestudie, waarvoor ze bijna 1000 recente studies overziet, en het enige interessante uit elk van deze studies in mijn ogen de verwijzing is naar een (niet peer reviewed) boek van Erikson, waarin hij zijn visie op identiteitsontwikkeling uiteen zet, in het al dan niet doorlopen/oplossen van kenmerkende leeftijdsfase gebonden conflicten. Overal wordt dan gesteld dat deze theorie weliswaar (nog) niet is bewezen, maar dat het een mooi vertrekpunt vormt en vervolgens wordt het thema naar gender, huidskleur, sport, sociale klasse oneindig herhaalt met … (gaap) vragenlijsten en focus groepen.

Maar goed, hoe kan je iets zeggen over entitativiteit? In groepen zeggen mensen andere dingen dan in één-op-één gesprekken, in de “kudde” doen mensen andere dingen dan ze zouden doen als individu. Uiterst actueel, lijkt me! Niemand wil dat het milieu verpest wordt, en tegelijkertijd doen we collectief de dingen die hiertoe bijdragen. Ook bij racisme speelt entitativiteit. Psychologisch hebben we, zo bleek uit mijn search, hier nog bitter weinig over te vertellen. Bovendien blijken een heleboel mechanismen – zoals het “bystanders fenomeen” (plat gezegd: gedeelde verantwoordelijkheid is geen verantwoordelijkheid), Milgram’s “obedience to authority” (experiment waarin mensen een schok moesten toedienen aan een proefpersoon), Zimbardo’s experiment waarin het mechanisme van “disorientation, depersonalization en deindividuation” wordt getoond onder groepsdruk (Stanford Prison Experiment) – alle drie bewezen (grotendeels) fake te zijn (Brannigan, 2020; Le Texier, 2019; Perry et al. 2020; Levine et al., 2020). Dus hoe werkt dit nu wel? 

Wanneer vanuit een muziekinstrument binnen een muzikale structuur een enkele toon klinkt, is dat al een samenklank van een grondtoon en een (grote) reeks boventonen, die het specifieke karakter aan het instrument geven. Maar binnen een harmonie, kan dezelfde toon volstrekt verschillende betekenissen krijgen, en als het ware schreeuwen om een volgende toon (consoneren), of vrolijk (grote terts) of verdrietig (kleine terts) of melancholisch klinken (bijvoorbeeld een kleine sext). In de harmonische structuur is sprake van entitativiteit, een harmonische werkelijkheid, waarin het geheel meer is dan de som der delen. Muziektheorie heeft de bewegingen tussen enkele tonen en harmonische structuren en het verloop over tijd in harmonieleer, enharmonisatie, modulatie, contrapunt en andere muziektheoretische kennis al lange tijd gesystematiseerd. Daar kunnen wij – psychologen – iets van leren! Misschien betekent dit dat we gaan snappen wanneer individuele schaamte over kan gaan in collectieve daadkracht, of hoe individuele triomf gecorrigeerd kan worden door collectief schuldgevoel en maakt dat, dat we uiteindelijk toch in staat zullen zijn om het tij te keren en onze planeet te redden!

Brannigan, A. (2020). The Use and Misuse of the Experimental Method in Social Psychology: A Critical Examination of Classical Research. Routledge.

Le Texier, T. (2019). Debunking the Stanford Prison Experiment. American Psychologist74(7), 823.

Perry, G., Brannigan, A., Wanner, R. A., & Stam, H. (2020). Credibility and incredulity in Milgram’s obedience experiments: A reanalysis of an unpublished test. Social Psychology Quarterly83(1), 88-106.

Levine, M., Philpot, R., & Kovalenko, A. G. (2020). Rethinking the bystander effect in violence reduction training programs. Social Issues and Policy Review14(1), 273-296.

donderdag 17 juni 2021

Waarom Drones gevaarlijker zijn dan hamers (en niet zelfrijdende auto's)

Sinds oudsher wordt techniek zowel constructief, als deconstructief gebruikt. Met een hamer kan gebouwd worden, met een strijdbijl maakten hele legers elkaar soms een kopje kleiner. Toch is sommige techniek inherent gevaarlijker dan hamers. Waarom?

Om een hamer crimineel te gebruiken, moet je een mens-tot-mens gevecht aangaan, en kan je één slachtoffer tegelijk maken, met het risico dat het geweld zich onmiddellijk tot jouw keert. Met je kloten voor het blok, of, zoals Nassim Taleb het poëtischer zegt, Skin in the game. Daarbij ga je dwars door biologische zwaar verankerde psychologische remmingen heen. Eén van de morele dilemma’s in een onderzoek stelt dat tientallen mensen op het spoor gespaard kunnen blijven, door één mens te offeren. Neurowetenschapper Stephen Kosslyn vraagt zijn proefpersonen of ze hiertoe daadwerkelijk - van mens-tot-mens - iemand uit de trein op de wissel zouden gooien. Praktisch niemand blijkt hiertoe bereid. Echter, als gevraagd wordt of ze in een verkeerscentrale op afstand op een knop zouden drukken, waardoor de persoon op het juiste moment uit de trein op de wissel valt en zo alle mensen op de rails gered zijn, zegt een aanzienlijk aantal proefpersonen hiertoe bereid te zijn.  

Gewelddadig gebruik maken van een hamer, gebeurt hooguit (a) per ongeluk, dus niet intentioneel, vaak leidend tot zelfverwonding, (b) uit “noodweer”, waar gelukkig mensen nooit of slechts zeer zelden in terecht komen, of (c) door een echt zieke geest, die dan ook nog waarschijnlijker effectievere technieken zal kiezen om kwaad aan te richten. Een hamer kan je niet intentioneel gewelddadig gebruiken, zonder je anonimiteit op te geven en dus zonder jezelf psychologisch bloot te geven als extreem gewelddadig. Je moet psychologisch dus echt over de grens gaan, gek worden. Tenzij het uit noodweer is, is het absoluut niet verdedigbaar. Ondanks dat de hamer aangepast als strijdbijl in veldslagen in man-tot-man gevechten aan veel krijgers het leven heeft gekost (opgehitst “noodweer”), is de hamer dus letterlijk en figuurlijk hanteerbaar gebleken voor de mensheid, want de hamer was al beschikbaar bij soorten die evolutionair aan Homo Sapiens voorafgingen. Het is echter nog maar de vraag of hedendaagse technieken beheersbaar zullen blijken. Een (vracht)auto, bijvoorbeeld, kan in één slag beduidend meer schade aanrichten dan een hamer, maar wordt desondanks zeer zelden intentioneel als moordwapen gebruikt (b en c), terwijl per ongeluk er vele duizenden mensen per jaar in en/of door auto’s om het leven komen, of zwaar lichamelijk letsel oplopen. Dan hebben we het niet over andere gunstige, dan wel schadelijke gevolgen van automobiliteit. Feitelijk is het besturen van een auto vergelijkbaar met het hanteren van een hamer: om het opzettelijk gewelddadig te gebruiken, moet je jezelf psychologisch extreem blootgeven als een extreem gewelddadige persoon. Je moet het bovendien zelf doen, fysiek, dwars door alle ingebakken bio-psychologische weerstanden heen. 

Voor sommige technologieën is dit volstrekt anders. Een drone, bijvoorbeeld, kan met hetzelfde gemak – op afstand – gebruikt worden voor “goede” doeleinden (bijvoorbeeld fotografie, filmen) als voor terroristische aanslagen, verspreiding van chemicaliën, bespioneren, etc. Het inzetten als massavernietigingswapen is nauwelijks ingewikkelder dan het schrijven van een horror-story, het vereist niet dat je zelfs maar aanwezig bent op het voor anderen fatale moment. Een script kan gerechtvaardigd worden in abstractie, zoals terroristische organisaties dat doen door zich op de goede zaak, of god te beroepen. Hiermee kan elke ontwikkeling aan de drone, zelfs vanuit de meest idealistische gedachte, bijvoorbeeld voedseldistributie in moeilijk bereikbare ramplocaties, direct ook worden ingezet om bijvoorbeeld zenuwgas te distribueren in een moeilijk bereikbaar gebied. Slechts de rechtvaardiging is noodzakelijk, het verhaal erachter. En verhalen zijn ook al zo oud als de mensheid, en hebben talloze bloederige strijden gerechtvaardigd, of er zelfs toe aangezet.

“Autonome” techniek kan via "verhalen" worden aangestuurd (code, op afstand). Daar komt nog bij dat het inzetten van drones bij bijvoorbeeld popconcerten, om te filmen vanuit de lucht, niemand zorgen baart, terwijl als iemand met een hamer door het publiek loopt, er direct paniek uitbreekt. Met andere woorden, elke goede inzet van drones, maakt het makkelijker om ze fataal in te zetten. Nassim Taleb spreekt bij autonome techniek van “Skin in the Game”. Een auto kan, nogmaals een veel zwaardere slag geven dan een hamer, maar vanwege de Skin in the game (de bestuurder in de auto) wordt deze zelden intentioneel als moordwapen ingezet. Autonome auto’s zullen een heel ander verhaal worden. Drones zijn dat al. Laten we eerlijk zijn, het is niet voor niets dat in talloze Science Fiction scenario’s drones als het ultieme kwaad worden opgevoerd, bijvoorbeeld in de Netflix serie Colony, of Evil Drone. Achteraf zeggen Wir haben es nicht gewußt (wat veel nationaalsocialisten in WO2 achteraf zeiden ten aanzien van de vernietigingskampen), gaat nog op voor veel publiek, maar niet voor wetenschappers. Toch? 


donderdag 10 juni 2021

Omdat wij het laten!

Waar Big Tech bedrijven om geprezen worden, zouden psychologen/psychiaters voor in de cel belanden, schreef ik vorige week als aanhef voor mijn blog. En zo is het. Maar ook politici zouden indien ze een interventie doorvoeren waardoor duizenden mensen hun baan verliezen, met alle sociale en psychologische gevolgen van dien, een heel goed verhaal moeten hebben, willen ze niet met pek en veren achter de tralies eindigen. Met andere woorden, disruptie zou ook voor hen nooit een doel op zich mogen zijn. Het woord disruptie komt van to disrupt, wat verstoren, ontwrichten, of uiteen rukken betekent. Maar disruptieve technieken worden door onder meer futurologen aangekondigd als het heil dat ons de volgende stap helpt zetten naar een technologisch walhalla, een staat waarin niemand meer hoeft te werken, of te leren, of überhaupt ergens moeite voor te doen.

Voor alles dat er voor ons echt toe doet, hebben we moeten knokken. Het was even afzien, maar dan heb je ook iets. Psychologisch zitten we zo in elkaar, dat we succes attribueren aan interne factoren, zoals onze inzet, onze talenten, onze grootsheid en falen aan slechte omstandigheden (externe factoren). Als ik lang genoeg oefen, kan ik leren zuiver te zingen, en met hele kleine "onzuiverheden" extra zeggingskracht (en “dictie”) aan mijn zangkunst toevoegen. Maar dan komt er een disruptieve techniek – autotune – die binnen een behoorlijke range real time onze onzuivere intonatie keurig naar de dichtstbijzijnde zuivere toon brengt en … iedereen kan zingen. Zonder moeite! En omdat we alleen nog maar door autotune bewerkte zangopnames horen, worden zangers die structureel kleine “onzuiverheden” inzetten in functie van de expressie, steeds minder geaccepteerd. Weg vakmanschap. Hetzelfde geldt voor tempo. Popmuziek wordt alleen nog langs 1 metronoomsnelheid per song automatisch op ritme “verbeterd” (quantized), waardoor fluctuaties in zowel ritme als tempo absoluut niet meer tolerabel zijn. Weg menselijke maat - letterlijk ;) - en lol in muziek, leve de saaiheid.

Net als in een gemechaniseerde wereld, is het ook in een gecomputeriseerde wereld de mens die zich moet aanpassen. Voor een popmuzikant is dat op één metronoomstand per song zo strak mogelijk inspelen. Dan kan de machine de kleine onzuiverheden en ritmische timingsfluctuaties eruit halen, Om ze vervolgens via een "beproefd" algoritme weer terug te brengen (humanizing), dan in ieder geval exact volgens de tijdsgeest, dus volgens wat mensen continu voorgeschoteld krijgen en zijn gaan ervaren als juist. Het is niet persé zo dat mensen niet meer hoeven te kunnen spelen, of zingen, om een hit te scoren. Zoals een automobilist wordt "gemachineerd" door wegen, wielen, sturen, is een popmusicus gemachineerd door autotune, quantize en humanize. Al rijdend zien we niet het natuurlijk schoon dat we lopend - op onze biologische schaal - wel zien, als we gemakkelijk over een hegje of een slootje kunnen springen (wat met wielen nooit kan), en we traag genoeg gaan om letterlijk even stil te staan bij die prachtige tor. In de auto gaan we met zevenmijlslaarzen aan het leed en geluk van medemensen voorbij, die we zijn gaan benoemen als medeautomobilisten (of zelfs tegenligger, naar het bepalende device: de auto). We houden van haar, maar de auto kidnapt ons, net zoals onder meer de computer, onze smart-devices, en de sociale media. We houden van onze gijzelnemers. Stockholm syndroom in pure vorm. Maar de menselijke maat raakt steeds verder uit zicht.

 

Als vakmensen overal worden vervangen door slimme productiesystemen, zullen we onze menselijkheid op een andere manier moeten uiten. Gek genoeg is dit zo’n beetje buiten de interesse en scope van elk wetenschappelijk onderzoek! Gemakkelijk is beter, goedkoop het beste. Liever lui dan moe en verveling is hooguit vervelend. Disruptieve technologie onttrekt zich aan ethische, wetenschappelijke en politieke verantwoording, en haar gevolgen zijn nu eenmaal ondemocratisch. Als je toevallig in de grafische sector een vakmens was, ben je waarschijnlijk al 2 of 3 keer door de opkomst van ICT technologie overbodig geworden. In sommige andere richtingen kan je waarschijnlijk nog wel een paar honderd jaar mee. Op dit moment zijn bijvoorbeeld hoveniers niet aan te slepen! In een door disruptie saai en gemachineerd geworden bestaan, zijn juist nieuwe disruptieve technieken paradoxaal genoeg vaak tijdelijk een variatie/verandering, net zoals een ongeluk, of een overstroming, of soms zelfs een oorlog. Het is afschuwelijk, maar toch voelen we ons er soms een beetje toe aangetrokken. Disruptieve techniek maakt slachtoffers … omdat wij het laten!


zaterdag 5 juni 2021

Technologie en ontwikkeling, een dynamisch systeem perspectief

De effecten van een interventie op de ontwikkeling zijn nooit op voorhand te voorspellen. Enkele weken geleden hebben we hier in een serie van 4 blogs over dynamische systeem theorie (DST) bij stil gestaan. Slechts binnen bepaalde grenzen geldt dat bijvoorbeeld meer licht of voeding leidt tot meer groei, of dat meer aandacht of stress leidt tot betere prestaties of concentratie. Slechts dan is er sprake van een lineaire relatie tussen de onafhankelijke variabele (licht, voeding, aandacht) en de afhankelijke variabele (ontwikkeling, groei, prestaties). Maar wanneer de ene systeemtoestand overgaat in de andere (wanneer water ijs wordt bij het lineair afkoelen, of de draf overgaat in galop bij het lineair versnellen), valt niet te voorspellen. Wel kan het bij herhaling op grond van empirische ervaring worden vastgesteld. Op grond van ervaring kan het dan worden beschreven. Zo’n beschrijving is geen verklaring, maar kan als voorspelling zeker heel nauwkeurig zijn. Het probleem is dat wij mensen dan gaan denken dat de beschrijving een verklaring is. Maar als water “vervuild” is (bijvoorbeeld door zouttoevoeging), is opnieuw niet meer op voorhand bekend wanneer de faseovergangen plaatsvinden. Als een kind drastisch andere leerervaringen heeft dan andere kinderen (bijvoorbeeld van een vorige generatie, die nog geen tablets ter beschikking hadden), kan het gevolg met betrekking tot overgangen naar nieuwe ontwikkelingsstadia evenmin op voorhand worden bepaald.

Er kunnen interventies worden ingezet bij ontwikkelingsachterstanden, of soms ook bij grote voorsprongen of ontwikkelingen die we niet begrijpen. Denk bv aan geheel traag ontwikkelende kinderen, die uit het niets vaak tamelijk geïsoleerde bijzondere talenten tonen op het gebied van muziek, tekenen, of rekenen. Idiot savant, noemden men dit vroeger. In het verleden zijn diverse interventies bedacht, van gedragstherapeutische aanpakken, tot EMDR en van behandeling met medicijnen tot Elektro Convulsieve Therapie. Zulke interventies worden doorgaans heel goed onderzocht op zowel effect als veiligheid, maar we kunnen bij afwijkende ontwikkeling hun effect op voorhand niet kennen, juist vanwege de onvoorspelbare aspecten van dynamische systemen. Immers, zulke systemen kennen lineaire en dus voorspelbare ontwikkelingen binnen fasen, maar ook non-lineaire en daarmee discontinue faseovergangen, die alleen achteraf kunnen worden herkent en dan in exact gelijke gevallen tot adequate voorspelling kunnen leiden. Hier is sprake van een paradox: juist als een ontwikkeling afwijkt van wat we kennen, is de behoefte aan kennis en voorspellen het grootst, terwijl juist in unieke afwijkende situaties voorspelbaarheid principieel onmogelijk is geworden. Met betrekking tot genoemd voorbeeld van extreme vaardigheden op een bepaald gebied (bijvoorbeeld hele encyclopedieën uit het hoofd kunnen leren), spreekt men niet meer van idiot savant, omdat gebleken is dat deze mensen vaak anders ontwikkelen, maar lang niet altijd zwaar mentaal beperkt blijven op andere gebieden dan hun uitzonderlijke talent.

Abnormal Psychology heeft feitelijk altijd met een andere (minder goed gedocumenteerde) dynamische systeem ontwikkeling te maken. De normale ontwikkeling kennen we, en dan zijn faseovergangen – hoewel niet lineair – toch zo goed te voorspellen, dat we ze (haast) lineair “begrijpen”. Maar bij niet “neurotypische”– afwijkend van de meest reguliere – ontwikkeling is voorspellen op grond van ervaring lastiger. Met technische noviteiten wordt alles nog ingewikkelder. Veel technologische noviteiten – internet, sociale media, challanges via TikTok etc. – blijken in feite achteraf vaak minstens zo ingrijpend op ontwikkeling in te spelen als “bedachte” interventies, zoals gedragstherapie of EMDR. Echter, anders dan bij bedachte interventies is er vaak niet of nauwelijks over nagedacht, en al helemaal geen verantwoording voor afgelegd. Als je hier over nadenkt, dan is dat heel vreemd. Zo is bijvoorbeeld het onderhouden van fysieke vriendschappen (bv van een adolescent) met de opmars van sociale media platforms zoals Instagram en Facebook in toenemende mate in concurrentie gekomen met te onderhouden virtuele “vriendschappen”, waardoor jonge mensen soms verslaafd zijn geraakt aan virtuele approval van “vrienden”, zijn ze gaan leven voor hun “flessenpost” boodschappen. Soms staat dit schoolsucces regelrecht in de weg, anderen weten dat te combineren. Maar iemand die een nieuwe therapie geregistreerd wil krijgen, moet hiertoe door tal van ethische (en wetenschappelijke) procedures, terwijl een Big Tech bedrijf alles op de markt kan gooien, en kan rekenen op een warm onthaal: technology is cool en de toekomst! Maar de effecten van nieuwe innovaties op menselijk gedrag, kan je echt niet lineair vanuit wat je denkt te weten op voorhand vaststellen. Dat moet blijken, nadat gedrag en innovatie in een nieuwe configuratie zijn gekomen. En dat is lang niet altijd een verbetering: It’s hard to predict, especially the future!

Wind onder de vleugels... Op een inspirerende vakantie!

Op de valreep voor de vakantietijd, voel ik me altijd weer wat ontheemd. Enerzijds is het heerlijk om uit de routines te stappen, en samen m...