vrijdag 30 januari 2026

Technologische innovatie, vooruitgang, of voortgang?

Wat we hopen, hoe we vinden dat onze levens zouden moeten zijn, waar we echt van dromen, is steeds meer uit beeld in het hyperrealisme van het virtuele (social media) bestaan. Dat klinkt als een contradictie in terminus (virtueel-realisme, een oxymoron), maar wat we kopen, wat we echt doen – scrollen op het internet, likes verzamelen voor onze posts, vrienden toevoegen aan ons 'netwerk'-, is dopamine piekjes laten vrijkomen in onze breinen, die onze behoeften op korte termijn bevredigen. Social media content houdt ons precies vast waar we ze ons wil hebben, in het virtuele, in een verdienmodel van bigtech, dat verkocht wordt als vrijheid en vooruitgang. Terwijl onze aandacht hierdoor gehacked is, raken we verder weg dan ooit van onze eigen levens, met onze eigen hoop en dromen. Onze eigen teksten, tekeningen, muziek, die steeds vaker is ingruild voor machinegegenereerde output. Je kunt je afvragen of dit akkes vooruitgang is, of simpelweg voortgang, misschien zelfs voortgang naar een ondergang. De vele apocalyptische hollywood films en series suggereren dit, maar hun succes toont aan dat zelfs uit een dreigende ondergang een uitstekend verkoopmodel kan worden gedestileerd. Wat is nog echt?

Vooruitgang is in onze samenlevingn geframed als inherent goed, richting meer beschaving, richting een ideaalstaat, als uitvindingen die gemak brengen, ons helpen om zwaar en vervelend of complex werk uit handen te nemen. Tot nog kort geleden werden mensensamenlevingen die we nu Indigenous noemen gezien als primitief, of zelfs onbeschaafd. Wij moesten ze (met de dominee en de zakenman) beschaving bijbrengen. Pas nu beginnen sommigen van ons zich hiervoor te schamen. 

Vooruitgang is al sinds het begin van de wetenschappelijke revolutie, de Verlichting, rond 1650, verbonden met de ideologie (filosofie, frame, verwachting) dat verstand, de rede, ofwel rationalisme ons een steeds betere (beschaafdere) samenleving zal brengen. Door de dingen de baas te worden, de materie aan onze wil te onderwerpen, zouden wij niet langer een speelbal zijn van materie, ziekte en andere zaken die we niet begrepen. We zouden de rollen omkeren, wij zouden de natuur beheersen en zelfs verbeteren. Empirisme, dingen die je bedenkt ook uittesten en toepassen om zo tot een steeds genuanceerdere controle te komen, staat sinds de wetenschappelijke revolutie begon nog steeds centraal. Optimisme wordt nog steeds gevoed door gigantische successen, en wie kan er in vredesnaam tegen vooruitgang zijn?

In de 21e eeuw is duidelijk geworden dat vooruitgang groei impliceert: Groei in wereldbevolking, groei in materiaal gebruik, groei in schadelijke gevolgen, waaronder de klimaatcrisis, milieuvervuiling en het uitbuiten van planetaire middelen, waardoor de biodiversiteit afneemt en zelfs onze eigen ecologische habitat steeds meer onder druk staat. Oneindige groei uit eindige middelen is onmogelijk. Vooruitgang wordt ondertussen praktisch volledig beheerst door grote bedrijven; vooruitgang als groei is losgezongen van wetenschappelijke interesse. Vooruitgang is (economische) groei geworden, aan het frame vooruitgang moet zoveel mogelijk worden verdiend. Men spreekt van kapitalisme, zelfs van neo-feodalisme (bv Yanis Varoufakis, 2020), waarin BigTech bazen lijken op de grootgrondbezitters uit de middeleeuwen en wij op de door hun gekoloniseerde horigen. 

Dit alles heeft weinig meer te maken met de rationele uitgangspunten van de Verlichting en dus met oorspronkelijke vooruitgangsideologie. Economische groei heeft voortgang nodig, niet vooruitgang in haar oorspronkelijke (ook morele en ethische) betekenis. Films als 'Don't look up' laten de irrationaliteit zien van waar het begrip toe is afgegleden en hoe we allemaal gevangen zijn door dat frame van 'Vooruitgang', dat zeker van 1650 tot 1800 enorme verbeteringen in de leefomstandigheden van velen bracht.

Hoewel de corrosie al in het begin van de 19e eeuw zichtbaar werd, toen bijvoorbeeld Mary Shelly met haar roman Frankenstein te voorschijn kwam met het oude verhaal Griekse van Prometheus, en met haar meerdere tijdgenoten, die waarschuwde voor een ongecontroleerde zucht naar spelen met vuur...

In onze tijd is hebben we geleerd bij vooruitgang direct te denken aan digitale wonderen. Monetair antropoloog Brett Scott, bijvoorbeeld, laat zien dat de digitale systemen overal tussen kruipen. Zelfs tussen een 'cash less' potje kaartspelen met vrienden waarbij je wat euros wilt inzetten, zitten doordat we geen contant geld meer hebben, minimaal 3 grote digitale betaalsystemen (centrale bank, visa en mastercard achtige spelers die aangeven welke digitale fiche's van wie naar wie gaan, en dan de decentrale banksystemen, waar we als individuele gebruikers bij aangesloten zijn). Minimaal, want vaak is er ook nog een spel app via Facebook of Google en zo komen er nog weer 2 systemen bij. 

Met digitaliseren wordt de regie weggehaald bij de mens en diens eigen leven, weg uit de sfeer waarin individuele weerbaarheid zich afspeelt. Een contant geld vrije samenleving, bijvoorbeeld, haalt de mogelijkheid om zonder de bankensector te kunnen handelen en te kunnen budgetteren weg bij de individuen. Onderzoek laat zien dat mensen zo'n 30 procent meer uitgeven als ze digitaal betalen (dus minder beschermd zijn tegen slimme reclames). Maar digitale systemen op zichzelf kunnen gehacked worden, of crashen (cash doesn't crash). Met andere woorden, ze zijn meer complex, en zoals ik eerder betoogde, daarmee minder weerbaar. Afhankelijkheid van grote digitale infrastructuren, brengt, zo heeft ondertussen iedereen wel een keer ondervonden, grote weerbaarheid issues. Omdat praktisch alle grote systemen (van openbaar vervoer tot stroom toelevering, van water zuivering tot (sociale) media en geldverkeer) kritisch afhankelijk is van digitale infrastructuren, krijgt ieder mens tenzij die in een geisoleerde stam leeft, regelmatig met uitval te maken. De systemen worden daarbij steeds complexer, de weerbaarheid is daar omgekeerd evenredig aan.

De maand januari schreef ik over weerbaarheid in een toenemend technocratische wereld. Hoe weerbaar ben je als individu, als alles dat je verlangt, waar je over droomt via zoekmachines in handen van grote tech oligarchen zijn, en als ook nog dit gecombineerd kan worden met wat je echt doet (geld uitgeven aan wat, je verplaatsen van waar naar waar in welk patroon)? Hoe weerbaar is democratie in een door big tech gekoloniseerde wereld? Wat als democratie technocratie, of Alleenheerschappij is geworden, en jij wordt digitaal buitengesloten? Wat als er cyberaanvallen zijn die het systeem platleggen? Zijn er nog alternatieven, kunnen we nog terug naar bijvoorbeeld meer analoog?

Er valt genoeg te beschermen, het frame dat innovatie is vooruitgang is technologie, zouden we moeten bekritiseren, nuanceren, falsificeren of misschien wel opzij zetten. Omwille van onze weerbaarheid, moeten we textuur beschermen, de informele sferen in de omgang, de vertraging. Steeds sneller zou heel goed kunnen eindigen in een crash, In de film Speed draaide het uiteindelijk om het tot stilstand brengen van de waanzinnige snelheid, voortgang. Voortgang is niet per definitie vooruitgang!

Turmoil, foto Tessa en Deborah




woensdag 28 januari 2026

Wat ik koop in plaats van wat ik hoop

Het ervaren van je zelf of zijn als constant – je zelfvertrouwen, ervaren geluk etc. – na afgedwongen aanpassing aan heftige gebeurtenissen, wordt (metaforisch) beschreven met de term weerbaarheid. Weerbaarheid is een metafoor, ontleent aan de wereld van fysische materialen. Onze weerbaarheid wordt uitgedaagd door gebeurtenissen die ons ervaren 'zelf' als het ware doen buigen. We zijn weerbaar indien we na zo'n 'buiging' toch weer in onze oorspronkelijke vorm terugkomen. Hierbij moeten we in ogenschouw nemen dat een mens een leven lang ontwikkelt en dat dus onze oorspronkelijke vorm verandert. Na heftige gebeurtenissen, die ons in de weerbaarheid metafoor doen buigen, gaat het terugkomen in de oorspronkelijke vorm dan ook om een abstractie, net zo gelukkig, of tevreden, of blijmoedig (of somber en kritisch) als voor de ontwrichtende gebeurtenis. Want tijdens de ontwikkeling kunnen we slimmer worden, of meer invoelend, of bekwamer. Metaforen zijn verhalen om zaken begrijpelijk, of tastbaar te maken. Ze schieten vanzelf altijd te kort. Zoals je nooit twee keer kunt afdalen in dezelfde rivier (het water stroomt, dus het zijn continu andere clusters van watermoleculen die je treft als je afdaalt), zo is je ervaren zelf ook continu in beweging.

Je kunt je voorstellen dat er momenten in je leven zijn, dat je je zo sterk voelt als een leeuw, en dat vanzelf je dan ook heel goed uitdagingen het hoofd kan bieden. Echter, er kunnen ook momenten zijn dat een relatief kleine uitdaging – die normaal gesproken je weerbaarheid niet of nauwelijks zou uitdagen – de druppel is die de emmer doet overlopen. Een reeks van gebeurtenissen die hierop volgen, kan dan een eigen leven gaan spelen (een ongeluk, een opname in een psychiatrisch ziekenhuis, of vul maar in), waardoor de weerbaarheid misschien zelfs blijvend aangetast wordt. Dus dezelfde gebeurtenis kan er in één leven op het ene moment nauwelijks toe doen (zo sterk als een leeuw) en een ander moment inslaan als een bom, met alle denkbare gevolgen van dien.

Een wereld die snel verandert, kan zeer uitdagend zijn om op individueel niveau weerbaar te blijven. Als bijvoorbeeld iemand zich tot een gerespecteerd lid van de samenleving heeft kunnen ontwikkelen door specifieke talenten en hard werken, en dan volkomen wordt ingehaald door nieuwe technologische ontwikkelingen die deze persoon in deze identiteit feitelijk overbodig maakt, wordt er erg veel van de aanpassing capaciteiten van zo'n persoon gevraagd. In een wereld waarin jongeren op school worden opgeleid voor banen die waarschijnlijk als ze goed en wel van school komen al niet meer bestaan, is duidelijk dat velen met deze uitdagingen te maken zullen krijgen. Als je tamelijk onverschillig bent in je opleiding, ben je waarschijnlijk weerbaarder, dan wanneer je met hart en ziel (en mogelijk grote talenten) helemaal gaat voor je opleiding. De magere interesse in schoolwerk en studie die jongeren nogal eens verweten wordt, zou dus juist een uitstekend coping mechanisme kunnen zijn om de vele maatschappelijke ontregelingen die zich bij razendsnelle en wijdverbreide technologisering niet de weerbaarheid te kunnen laten aantasten. Juist als je ergens echt volledig voor gaat, ben je kwetsbaar.

Technologie heeft op meerdere manieren invloed op onze weerbaarheid. Ontregelingen door voortschrijdende technologisering maakt regelmatig van ons in de gelijknamige blog een schoonspringer zonder zwembad noemde. Daarnaast bepaald technologie door onze verslaving aan de sociale media welke informatie we te zien krijgen, en dus in welke verhalen context we onszelf en de wereld om ons heen 'begrijpen'. Sociale media algoritmes zijn zo gebouwd, dat ze onze aandacht zo lang mogelijk vasthouden in onze sociale media bulb. Psychiater en Stanford professor Anna Lembke spreekt van het hacken van onze aandacht, door persoonsgericht op basis van ieders individuele klik, kijk en zoekgedrag informatie te bieden, die onze breinen voortdurend dopamine piekjes laat produceren, zodat we de aandacht erbij houden. Op de lange termijn maakt ons dat minder weerbaar, het is een vorm van verslaving, zo betoogt Lembke. Hoe verhalen en weerbaarheid samenhangen, besprak ik in de blog Een netwerk van verhalen. Een derde vorm van beinvloeding van technologie, sluit hierop aan. Generatieve AI biedt zo gemakkelijk beelden, verhalen en muziek, dat nu al een substantieel deel vormt van alle informatie. We gaan onze verhalen en collectieve beelden (en wellicht ook popmuziek) aanpassen aan de normen die generatieve AI meer en meer biedt.

Weerbaarheid is een eigenschap van de persoon, van het zelf. Naast persoonseigenschappen – karaktertrekken – hebben ook geestelijke gezondheid en sociale integratie invloed op de mate van weerbaarheid. Een belangrijke bron van invloed op onze weerbaarheid, bestaat uit de verhalen die in onze cultuur rond gaan en die wij onszelf vertellen. Zo zijn er de verhalen op meta niveau (de cultuur), op meso en op individueel niveau. In onze technocratische wereld, zijn de verhalen sterk bepaald door algemeenheden, door wat ik 'koop', en komt toekomstperspectief – wat ik 'hoop' meer en meer op de achtergrond. Verslaving en aangeleerde hulpeloosheid (wat ik ook doe of kan en waar ik me mee kan onderscheiden of identificeren, het wordt toch wel door de 'vooruitgang' ingehaald) ondermijnen de weerbaarheid.




Foto Tessa en Deborah in Venetie


maandag 26 januari 2026

Een netwerk van verhalen

Verhalen die we vertellen, en die in onze (sociale) netwerken verteld worden, hebben grote invloed op hoe we als individuen ons eigen doen, laten en (meer essentieel) 'zijn' ervaren. Onze weerbaarheid is in eerste instantie een psychische grootheid, net als onze karakter opmaak, en driften, emoties en (on)deugden. Maar de cultuur speelt hier op in, ze kan onze coping style beïnvloeden. Ten eerste zijn er culturele verwachtingen, die als (impliciete) narratieven in de lucht hangen. Verwachtingen met betrekking tot leeftijd, bijvoorbeeld, geslacht, maatschappelijke positie. Is ons gedrag leeftijd adequaat, zou bijvoorbeeld een vraag kunnen zijn. Culturele meta narratieven gaan bijvoorbeeld ook over hoe we ons met bepaalde dagen gedragen (vergevingsgezind met kerst, of wat sombertjes op Blue Monday).

Culturele verwachtingen veranderen ook over tijd. Soms gaan ze ook over kenmerkende waarden, bijvoorbeeld aan het geslacht gekoppeld. Waar bijvoorbeeld in onze cultuur een tamelijk losgeslagen seksuele 'drive' in de jaren 70 bij een man gemakkelijk kon bijdragen aan het verhaal een echte kerel te zijn, zou dat nu wel eens kunnen bijdragen aan een verhaal met schaamte, minderwaardigheid, of zelfs (seks) verslaving. Omgekeerd zou zo'n seks drive bij een vrouw in de jaren 70 makkelijk leiden tot een pathologisch verhaal met termen als nymfomanie, of zelfs prostitutie, terwijl dat nu wellicht zou kunnen bijdragen aan een verhaal over zelfstandigheid en eigen regie, juist op dit gebied, dat eeuwenlang bepaald geweest lijkt door mannen. Kortom, hoe we ons eigen handelen interpreteren - wat en wie we zijn – is altijd gebonden aan onze positie in het netwerk, gedefinieerd door de in dat (sociale) netwerk 'vigerende' verhalen en de zelf beschrijving die we uiteindelijk daaruit opmaken.

Belangrijk is om vast te stellen dat deze verhalen niet perse waar (of onwaar) zijn. Wat ik met het seksdrive voorbeeld probeerde duidelijk te maken, is dat wat we nu als juist zien, iets heel anders kan zijn dan wat we enkele decennia geleden als juist zagen. Hoewel morele waarden en oordelen onderdeel vormen van de narratieven, zijn ze niet absoluut. Ze kunnen zelfs 180 graden omdraaien. Zanger Julio Iglesias, bijvoorbeeld, zou met duizenden vrouwen het bed gedeeld hebben, en dat was een paar decennia geleden een regelrechte aanbeveling om hem een echte ster te vinden. Deze week stond hij terecht om niet svrijwillige seks met een medewerkster.

Een bepaalde tijdgeest – een collectief gedeeld narratief – kan gegeven iemands persoonlijke mogelijkheden en beperkingen bijdragen aan een positieve zelf beschrijving (appraisal), of juist aan een negatieve, met beperkingen en wellicht zelfs (ervaren) handicap. Iemand kan bijvoorbeeld ergens erg goed in zijn, bijvoorbeeld correctie van teksten op spelling en grammatica. Als dan door bijvoorbeeld voortschrijdende technologieën dit niet meer op dezelfde schaal als voorheen nodig is, kan iemand diens gewaardeerde positie in de samenleving kwijt raken. Kan, want natuurlijk is het heel goed mogelijk, dat iemand de essentiele vaardigheid toch weet te vertalen naar bijvoorbeeld een iets abstracter niveau, waar nog wel vraag naar is. In dat geval is er sprake van efficiente weerbaarheid. De corrector van tekst, is in staat om de logische argumentatie per alineas perfect te volgen, en in te delen op correct, of incorrect en werkt nu bijvoorbeeld als trainer van generatieve AI.

We begeven ons in verschillende netwerken, die allen deel zijn van een groter netwerk. Ieder deel netwerk heeft haar (deels) eigen verhalen. Als we lid zijn van een politieke partij, of een hobby- of sportvereniging, zullen daar de verhalen een telkens een andere kleur krijgen dan op ons werk. Werk in de publieke sector is dan weer anders dan werken in de commercie, of in de industrie. De gebeurtenissen die op ons afkomen krijgen telkens afhankelijk van het deel netwerk (in een sociale media omgeving wel 'bulb' genoemd) een wat andere kleur. In iedere 'bulb' zijn de verhalen anders afgestemd, en de waarderingen anders ingesteld. Zo hebben veel 'bulbs' eigen trigger signalen, ook wel hondenfluitjes genoemd. 

Belangrijk is om ook hier weer te beseffen, dat er geen intrinsieke waarde kan worden toegekend aan de verhalen behorend bij een bepaalde beroepsgroepen, hobbies, of meer algemeen, activiteiten of menselijk gedrag. De verhalen en dus ook de zelf beschrijvingen, zijn nooit af. Zo lang we leven veranderen de verhalen die in de netwerken waar we deel van uitmaken en stellen we onze zelf beschrijvingen bij. De verhalen zijn vooral impliciet, en vaak slechts gedeeltelijk expliciet.

Steeds sterker wordt ons doen en laten ook beinvloed door de verhalen die over consumptiegoederen worden verteld. Wij zijn wat we eten, of we zijn wat we kopen. Zo impliceerde het rijden in een Tesla een jaar of 10 geleden automatisch dat je een voorloper was, succesvol (anders kon je je dit niet permitteren), met het juiste gevoel voor het milieu en de toekomst van de planeet. Juist de beinvloeding via 24/7 sociale media bulbs die draaien om goederen en diensten die op jouw persoonlijke interesses en zijn afgestemd zouden worden, vormt een continue bron van narratieve componenten. Een bron die ons steeds noodzaakt bezig te zijn met te onderzoeken wie we zijn geworden, waar we nu staan. Er is echter een discrepantie tussen wat we dromen en wat we kopen, waar ik volgende blog op in ga.

Photo by Salo Al: https://www.pexels.com/photo/clear-flute-glasses-on-black-tray-16408/

donderdag 22 januari 2026

Weerbaarheid en impactvolle gebeurtenissen.

Mijn grootste angst tot ik al ruim in de dertig was, was dat mijn vader er niet meer zou zijn. Hij stond altijd voor me klaar, letterlijk met raad en daad. Toen ik 39 was merkte ik dat deze angst verdwenen was. Toen ik 41 was stierf hij, volkomen plotseling. Bij wat het overlijden van mijn moeder voor me zou betekenen, had ik vreemd genoeg nooit stilgestaan. Toen zij overleed, ik was toen 45, maakte juist dat een ongelooflijke impact.

In de afgelopen drie blogs heb ik betoogt dat weerbaarheid meer “uitgedaagd” wordt in een complex (maatschappelijk) systeem dat gekenmerkt wordt door grote ingrijpende veranderingen vanuit onder meer BigTech. Deze keer wil ik stil staan bij het begrip zelf. De Cambridge dictionary omschrijft resilience (weerbaarheid) als: “the ability of a substance to return to its usual shape after being bent, stretched, or pressed”. Toegepast op een individu als wordt dit volgens hetzelfde woordenboek “the ability to be happy, successful, etc. again after something difficult or bad has happened”.

Een materiaal dat door de druk of andere omstandigheden wordt vervormd en daarmee haar oorspronkelijke vorm kwijtraakt, is niet weerbaar. Iets dat buigt, zonder terug te kunnen veren, is wellicht buigzaam, maar niet weerbaar. Evenmin is een weinig buigzaam materiaal, dat zou kunnen breken en dan dus ook niet meer terug kan komen in haar oorspronkelijke vorm. Vertaalt naar individueel aanpassingsvermogen, je moet mee kunnen bewegen in situaties met een grote impact (important life events), om daarna het gevoel van continuiteit in wie, wat en hoe je bent niet kwijt te raken. Doordraaien, gek worden, of helemaal afknappen zou je kunnen zien als een vorm van breken, en helemaal meebewegen als een vorm van identiteits zwakte... 

Daarentegen is tijdelijk in crisis komen (inclusief doordraaien, even helemaal de weg kwijt zijn, of vluchten in een roes van het één of ander) niet perse indicatoren van een lage weerbaarheid. Important life events zoals scheiding, dood van een geliefde, ongeluk, trauma, verlies van werk, haat en laster, of tot de bedelstaf gedwongen te worden, veroorzaken dikwijls een periode van grote stress, waardoor je tijdelijk uit het lood kan zijn geslagen. Resilience gaat er dan over in hoeverre je in staat bent om toch weer de verbinding met wie je was terug te vinden. Als je ervaart dat je slechts een schaduw bent van wie je was, is de weerbaarheid op dat moment te gering. Als dit alles je niets doet, niet raakt, dan ben je of volkomen gevoelsarm (een koude kikker), of je bent een heilige. Hoewel, riep niet de meest heilige van ons allen Vader waarom hebt U mij verlaten?

Hiermee zijn we gekomen aan een probleem in het begrip weerbaarheid. Het betreft een metafoor, waarin de mens vergeleken wordt met een materiaal dat, nadat krachten daarop ingewerkt hebben, terug komt in haar oorspronkelijke vorm. Toegepast op een mens wordt 'vorm' dan gedefinieerd in termen van geluk (happiness) en succes, persoonlijkheid of mate aangepast zijn. Maar anders dan verval (entropie, een toename van chaos ten gevolge van verval van complexe samenhang) zoals corrosie of roestvorming die op termijn de weerbaarheid zullen doen afnemen, kennen materiele vormen geen ontwikkeling. Individu ontwikkelen zich wel. In het leven moet je soms 'breken', om een nieuwe gedaante te krijgen, en daarmee verder te gaan. Na een crisis kan een individu ook sterker terugkomen, de weerbaarheid is dan vergroot. 

Leven toont in tegenstelling tot al het anorganische materiaal in het universum, negatieve entropie (negentropie, ofwel een toename van de complexe organisatie). Voor organismen geldt niet alleen het begrip verval, maar ook ontwikkeling, en zelfs transformatie. De metafoor van transformatie, waarin de rups een vlinder wordt, gaat net zozeer op. Wat weerbaar is voor de rups, is iets heel anders dan wat weerbaar is voor de vlinder. Vertaald naar ontwikkeling zou je kunnen stellen dat als gebeurtenissen voorkomen in een levensfase dat bijvoorbeel een kind er nog niet aan toe is, dit de weerbaarheid kan bnvloeden. Beïnvloeden betekent versterken (minder waarschijnlijk), of verminderen (waarschijnlijk).

Een andere belangrijke bron die onze weerbaarheid mede bepaald, zijn de narratieven, de verhalen die we toepassen op wie we denken te zijn, op een gegeven moment als een last kunnen gaan ervaren, die de impact van “echte” gebeurtenissen in ons leven nadelig kunnen beinvloeden. Als ik mezelf vertel dat ik alles kan, als ik in staat ben om de meest positieve uitkomst voor ogen te zien, kan me dat vleugels geven (positief bnvloeden). Daarentegen, als ik mijzelf heb verteld dat ik nu eenmaal zus of zo ben, of iets helemaal niet kan, zal dat indien in in een situatie kom dat ik dat juist zou moeten kunnen, enorm negatief bnvloeden. En dan nog, juist hetgeen waar je nooit bij stil staat, wat je jezelf nooit hebt verteld, kan de grootste impact hebben, zoals het overlijden van mijn moeder waarover ik in de inleiding schreef. Volgende blog zetten we theorieen en narratieven en hun invloed op weerbaarheid centraal.

mijn vader aan het lezen...



dinsdag 20 januari 2026

Schoonspringer zonder zwembad

Mijn lief vertelde mij vanochtend haar merkwaardige droom. Ze droomde dat ze schoonspringer was, dat ze echt exceptioneel mooie sprongen kon maken, en gold als een supertalent. Ze wilde het laten zien, maar kwam in een overvol zwembad, waarin het onmogelijk was om de duikplank te gebruiken... Haar hele droom bleef ze achter met een gevoel dat ze iets heel fijn vond om te doen, om nog beter in te worden, om zichzelf een positie mee te verwerven, maar toen ze wakker werd, naar haar gevoel na een eeuwigheid van vergeefs wachten op haar grote moment, haar doorbraak, had ze vanwege de continue drukte in alle zwembaden van haar droomwereld, niets met haar talent kunnen doen...

Of je iets hebt aan talenten, hangt van de maatschappelijke context af. Datzelfde geldt of je last hebt van een beperking. Hoe erg is het om dyslectisch te zijn in een maatschappij waarin niemand kan lezen en schrijven, waarin wellicht het schrift niet is uitgevonden? Of zou dyscalculie in een samenleving waarin er geen enkele noodzaak is om schuld en rijkdom bij te houden, of de omtrek of oppervlak van bezit hoeft vast te leggen, simpel omdat niemand prive bezit heeft?

Het bezitten of juist ontbreken van bepaalde eigenschappen, zou er niets toe doen als deze eigenschappen er niet toe deden, of in ieder geval over het algemeen totaal onopgemerkt zouden worden. In de twee vorige blogs betoogde ik dat gebreken (stoornissen) pas naar voren komen, als de afwezigheid het functioneren in de algemene sociale context belemmert. Kort stipte ik aan dat zelfs dan, soms, zo'n “stoornis” via zelf ontwikkelde “work arounds” kunnen leiden tot zeer talentvolle alternatieve ontwikkelingen. Zo blijkt uit onderzoek dat mensen met dyslectie over het algemeen minder meekomen dan siblings zonder dyslectie, maar dat er ook een groep is, die weinig last lijkt te hebben van de stoornis. Echter, onder de mensen met in echte topposities, blijkt dyslectie significant vaker voor te komen dan in de gewone bevolking. Hier lijkt dus te gelden 'if it doesn't kill you it makes you stronger'. De top wetenschappers, kunstenaars en zakenmensen met dyslectie hebben kennelijk aangewakkerd door de moeilijkheden met lezen, of schrijven ter compensatie andere vaardigheden ontwikkeld, die hele nieuwe krachten brachten. Bij dyslecten werd dit al meerdere decennia geleden onderkend, maar dit blijkt ook te gelden voor mensen met autisme, en AD(H)D, de zogenaamde neurodivergente mensen. Ook hier is het algemeen patroon dat deze “stoornissen” voor de grote groep tot achterstand (handicap) leidt, dat een kleine groep relatief “normaal” mee kan komen in de samenleving, maar dat een kleine maar ook significante groep ondanks (of juist dankzij) deze afwijkingen tot de absolute top behoort.

Weerbaarheid heeft dus te maken met hoe jouw specifieke mogelijkheden zich verhouden tot wat op het moment dat jij ontwikkelt en leeft de complexe systeemwereld vereist van mensen om aan haar aangepast te kunnen ontwikkelen en leven. Daarnaast heeft weerbaarheid er mee te maken of je, mocht je een gebrek bezitten om adequaat op systeemvereisten te kunnen anticiperen, speciale capaciteiten hebt of kunt ontwikkelen om voor zo'n tekortkoming te kunnen compenseren, of zelfs te overcompenseren, ofwel excelleren.

Er is nog iets dat bij een bespreking van weerbaarheid van belang is. Individuele mogelijkheden die jou meer of minder aangepast maken aan de vereisten van de systeemwereld, kunnen plotseling noodzakelijk worden, of juist verouderd raken. In een snel veranderende systeemwereld, is het hebben van een specifiek (ontwikkeld) talent niet altijd een garantie dat met dat talent je waarde in het systeem ook verzekerd zal blijven. Terug naar de droom waarmee ik begon.

Als iemand fantastische illustraties kan tekenen, of prachtige teksten kan schrijven, en daarmee verzekerd is van een plekje in de samenleving met voldoende opdrachten om rond te komen, en er komt generatieve AI, waarmee iedereen met een druk op de knop afbeeldingen gaat maken, of teksten gaat produceren, dan word je vanzelf vergelijkbaar met de schoonspringer, die alleen nog maar duikplanken treft in overvolle zwembaden, waar iedere duik onverantwoord is. Dit geeft je gevoel van waardigheid, je talent als zijnde datgene waarmee je jouw plaatsje in de samenleving “verdient”, een knauw. Je verbondenheid en daarmee je weerbaarheid is door veranderingen in de complexe systeemwereld toe aan herziening. Als dit diverse keren na elkaar gebeurt, dan komen veel mensen in problemen met betrekking tot perspectief, en dat kan zeker het relatief lage welbevinden in juist de meest ontwikkelde landen verklaren. Is voortgang wel echt vooruitgang? We spreken continu over de technologische vooruitgang, maar wat doet dat met onze individuele weerbaarheid?

Photo by RF._.studio _: https://www.pexels.com/photo/people-swimming-in-pool-near-sea-4177533/


vrijdag 16 januari 2026

Weerbaarheid in de spiegel van complexiteit

Het systematiseren van verschillen tussen mensen in 'patronen' (typen, beelden) met betrekking tot hun aanpassingmogelijkheden aan de (inmiddels complexe) systeemwereld, kent een lange geschiedenis. Eenvoudige binaire “systematieken” zoals dom versus slim, of gek versus aangepast, goed versus slecht, doener versus denker en hard versus zacht zijn er vermoedelijk al duizenden jaren. Met de opkomst van de psychologie (en moderne psychiatrie) kreeg ook de psychopathologie een nieuw elan, en werden deze binaire systemen verruild voor meer complexe leren, met vermeende (covert of overt werkende) mechanismen. De DSM systematiek is een op consensus gebaseerde methode van telbare en waarneembare gedragingen die als daar kenmerkende (afwijkende) patronen inzitten laden op een verondersteld ziektebeeld. Als je over resilience (weerbaarheid) spreekt, dan gaat het vaak over weerbaarheid van individuen die tot algemene of bijzondere (zoals DSM gecategoriseerde) groepen behoren.

Met de kanarie-in-de-kolenmijn metafoor betoogde ik in mijn vorige blog dat aanpassen altijd betekent weerbaar zijn of worden aan/in een specifieke context, dus aan een (deel van de) complexe systeemwereld. Hoe complexer een systeem is, des te gevoeliger het is voor ontregelingen. Simpel gezegd, hoe meer knopjes je in de auto hebt zitten, hoe meer er stuk kan en op termijn on herroepelijk zal gaan. Het beroemde essay I-Pencil van Leonard E. Read uit 1958 waarin hij betoogt dat er duizenden mensen nodig zijn om zelfs iets zo eenvoudig als een potlood te maken (cedar, lak, grafiet, afsluit-ring, olie, puimsteen, was, lijm, en daarbij natuurlijk de benodigde gereedschappen/machines), laat zien dat er een hele mensheid nodig is om de complexe systemen te “maken” (en in de lucht te houden) waar we door omringt zijn. Er komen steeds meer complexe apparaten, die ook nog eens allemaal met elkaar verbonden zijn, via bijvoorbeeld een distributienetwerk, een stroomnet, of een internet. Bovendien worden de complexe apparaten steeds complexer. Neem bijvoorbeeld een relatief eenvoudig apparaat zoals een stofzuiger. In een moderne stofzuiger zitten tegenwoordig enorm veel meer onderdelen (van tandwielen tot chips) en een veel breder assortiment aan materialen (van diverse soorten kunststof tot zeldzame metalen) dan in een stofzuiger van zo'n 50 jaar geleden. Een moderne auto bevat tientallen High Tech computers, gebaseerd op zeer complexe chips, die met onwaarschijnlijke precisie met een enorm geavanceerde laser machines gemaakt worden. In een auto van 50 jaar geleden zat geen enkele computer.

Technologische complexiteit – bijvoorbeeld complexe (high tech) apparatuur die ons helpen te navigeren door onze complexe agenda's – noodzaakt gebruikers voortdurend tot nauwgezette afstemming op zowel mogelijkheden als restricties. Om een auto op de weg te houden, bijvoorbeeld, moeten wij denken in termen van auto snelheden, wielen en wegen. Als mens zouden we nooit sneller lopen dan tussen 5 en 10 km per uur, of rennen tussen 7 en 25 km per uur. Wel kunnen we, anders dan in een auto, makkelijk afwijken van platgetreden paden, ergens overheen klimmen of over een slootje springen. Met andere woorden, om te leven in een complexe systeemwereld, moeten we soms onze eigen menselijke (dierlijke) mogelijkheden opschorten of aan de kant zetten om mee te kunnen liften in de nieuwe mogelijkheden die ons bestaan als een soort van “cyborgs” biedt. Snelheid in het overbruggen van grote afstanden in de auto. We noemen dat opschorten van onze menselijkheid in de volksmond vaak “meekomen met de vooruitgang”, zoals bijvoorbeeld “digitaal geletterd” worden of blijven. Wat heeft dit allemaal nu met individuele weerbaarheid te maken?

Weerbaarheid is een functie van de wereld waarin we leven. Dyslexie bestaat niet in een wereld waarin niemand kan lezen en schrijven (denk aan Europa een paar duizend jaar geleden, of Amerika een paar honderd jaar geleden). Gedeeltelijk analfabetisme in onze tijd, bijvoorbeeld door ernstige dyslexie, kan wel degelijk de individuele weerbaarheid beinvloeden! En dan zal dat in veel gevallen negatief zijn, een kleine groep zal een work-around vinden waardoor het netto resultaat van de dyslectie in de geletterde wereld neutraal zal zijn, en, tenslotte, zal er een kleine groep zijn die zo'n perfecte work-around vind, dat de weerbaarheid juist vergroot wordt.

In een wereld waarin op zo'n grote schaal zo'n complexe organisatie is ontstaan – eerder genoemde Leaonard Read wees er al op dat al die mensen die nodig zijn voor 1 potlood door een “onzichtbare hand” worden bestuurd en dus niet georganiseerd zijn – zijn tal van persoonlijke eigenschappen die wisselend met de snelle veranderingen op complex/technologisch niveau voor betere en slechtere aanpassing leiden. Weerbaarheid is daarmee ook een functie van de psychische opmaak, vandaar dat we begonnen met psycho “pathologieën".

Foto genomen in de UK door mijn vader, Rens L. de Graaf

woensdag 14 januari 2026

Het kanarie in de kolenmijn-syndroom

Heeft iedere kanarie het “kanarie in de kolenmijn-syndroom”, of alleen de kanarie die door mensen in een kooitje in een kolenmijn is geplaatst? En hoe zit het met de befaamde stoornis “door-wintersweer-niet-op-het-werk-kunnen-komen”? Komt die alleen voor bij hen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer? Of is deze stoornis ook latent aanwezig bij mensen die zo dicht bij hun huidige werk wonen, dat ze er desnoods kruipend heenkunnen? Bestaat dyslexie ook in een samenleving waarin analfabetisme de norm is, en hooguit een enkeling nog heeft leren lezen en schrijven?

Vorige week maakten we prachtig winterweer mee. Talloze mensen gingen heerlijk sleeën, schaatsen, of sneeuwpoppen en ijssculpturen maken. Of ze legden de pret vast in woorden, afbeeldingen, foto's en filmpjes. Winterpret alom. Weerbaarheid in bedrijf, genietende mensen pasten zich op individuele schaal aan het winterweer aan.

Dit is de sneeuwpop die wij maakten in onze tuin, gefotografeerd door Victorine


Echter, er was ook stress en paniek. Hoe moet dit nu? Winkels werden leeggekocht, toiletpapier bleek opnieuw de detailhandel variant van de kanarie in de kolenmijn. Op het nieuws werd vooral gesproken van ontregelingen, overlast, en schade. Ondanks de winterpret, ondanks een (tijdelijk) volstrekt andere ecologische context, vonden we in grote getale dat onze 24/7 systeem onverstoord moest blijven draaien. We kropen ook vrijwel meteen in de loopgraven om alles en iedereen die in de weg stond te bestoken met onze verwijten/frustraties dat alles anders was. 

De verwijten hingen onder meer af van onze afstand tot het werk. Was die kort, verweten we collega's of medestudenten dat ze niet (op tijd) aanwezig waren. Was die lang, dan gaven hen we de NS, of de strooi diensten de schuld. Het lag natuurlijk nooit aan onszelf...

Weerbaarheid en afhankelijkheid van systematische complexiteit hangen samen, maar hoe? Maakt het hele huis verwarmen je minder (of juist meer) weerbaar? Maakt een 24/7 economie ons meer/minder weerbaar? Is gemak een tegenpool (of synoniem) van weerbaarheid? Maakt een systeem dat alles voor ons regelt (fikst), onze weerbaarheid kleiner? Eén ding hadden we allemaal gemeen, het lag altijd aan iets buiten onze schuld!

Het equivalent van het kolenmijn-syndroom van de kanarie voor de mens is het "het-ligt-altijd-aan-iets-buiten-mezelf-syndroom”? Als de (mondiale) systemen ontregelt raken, bijvoorbeeld door de ecologie, dan staan we open voor suggesties van populisten om mee te huilen met een pakkend refrein over wiens schuld dit is. Het ligt nooit aan onszelf. Drugsverslaving van jongeren in de VS ligt natuurlijk aan zwakke linkse regimes in zuid Amerika. Sociale media verslaving? Afhankelijk van waar je woont: Chinese TikTok, of juist Amerikaanse BigTech. Klimaatcrisis? Ontkennen, en de schuld geven aan de “intellectuelen”, die spoken zien! Of erkennen, en de schuld geven aan [vul hier in waar je het meest last van hebt: generatieve AI, vliegverkeer, automobiliteit, industrie in het algemeen, of, wacht, de houtkachel van de buren]. Natuurlijk ligt het nooit aan onszelf, want hey, iedere gek heeft recht op diens gebrek. En de mijne heeft immers ieder mens: het het-ligt-altijd-aan-iets-buiten-mezelf-syndroom.

Het winterweer was een tijdelijke ecologische ontregeling. Het feit (dat natuurlijk ontkent kan worden) dat we als wereldbevolking jaarlijks meer ecologische bronnen gebruiken dan de planeet kan genereren, waardoor ons bestaan vervuiling, vernietiging en uitputting ten koste van de ecologie (klimaat, biodiversiteit) oplevert, is helaas minder tijdelijk. En zelfs een korte onregeling door winterweer, zet de kwaliteit van grondwater door massaal strooien met zout verder onder druk. Ook asfalt gaat door dat strooien versneld kapot, waardoor onze behoefte aan mensgemaakte materie nog weer verder toeneemt. Wat we hier zien is een groot en breed gebrek aan … resilience, aan weerbaarheid, aan aanpassingsvermogen aan (tijdelijk) veranderde omstandigheden. En met alle systemen die we te pas en te onpas om ons heen onder het motto “vooruitgang”, of innovatie steeds omvattender produceren, raken we steeds verder van het pad. En natuurlijk ligt dat altijd aan een of iets anders.

Hoe verhogen we onze eigen weerbaarheid, zodat niet altijd de ecologie, of iemand anders iets moet opgeven voor mijn gemak? Doen we dat door musculiene oorlogzuchtige populisten onze stem te geven? Of door te gooien met pathologische termen om het onbegrepene binnen ons (illusoire) begrip te brengen? Door onze kinderen ook een autistische barbie te geven, om te leren om te gaan met dat kind dat anders op de sociale mores reageert, of misschien anders loopt, spreekt, of andere mimiek heeft? Doen we dat door kanaries meer algemeen te maken in de kolenmijn, en beter op ze te letten. Wiens weerbaarheid vergroot dat eigenlijk, die van de mijnwerker, of van de kanarie? Of zouden we misschien de mijnen moeten sluiten, en de ecologie moeten leren volgen, in plaats van door te denderen in de illusie dat we haar onze wil op kunnen opleggen. Is vooruitgang misschien eigenlijk niet helemaal hetzelfde als voortgang?

Technologische innovatie, vooruitgang, of voortgang?

Wat we hopen, hoe we vinden dat onze levens zouden moeten zijn, waar we echt van dromen, is steeds meer uit beeld in het hyperrealisme van h...