donderdag 31 maart 2022

De roep naar efficiëntie leidt tot … nog meer verspilling!

Mijn lief en ik hadden een heerlijk weekend, een dagje in het Bilderberghotel op de Bilderberg,. Ver weg van de huis, tuin, werk en alle andere dagelijkse beslommeringen, aangewezen op elkaar en onze hotelkamer. Heerlijk niets doen, het hotelzwembad helemaal voor onszelf, verder niets. We spraken over alles en nog wat, geïnspireerd door de omgeving waar vanaf 1954 de Bilderbergconferenties worden gehouden, met onder de deelnemers Amerikaanse presidenten, een Rockefeller en natuurlijk onze eigen royalty. Zo kwamen we op subsidieaanvragen, over hoe “buzzwords” - woorden die lekker klinken maar feitelijk in de gebruikte context on(der)gedefinieerd zijn – daarin helaas vaak een hoofdrol zijn gaan krijgen. 

Eén zo’n woord is efficiëntie. Iedereen vindt het belangrijk, maar bij nadere beschouwing is helemaal niet éénduidig gedefinieerd waar het voor staat. Wat levert bijvoorbeeld efficiëntere energieomzetting, bedrijfsvoering of procedures, of efficiënter onderwijs, of een efficiënter leven op? Het gaat dan om een hoger rendement behalen met dezelfde of liever nog minder inspanning. Daar kan niemand tegen zijn, toch?

Feitelijk kan nooit eendimensionaal worden vastgesteld of iets waar, goed of slecht is, of of het één mooier, beter, slechter, slimmer, of efficiënter is dan het andere. Los van een specifiek perspectief kan onmogelijk worden vastgesteld hoe efficiënt iets is (iedere “waarheid” kent vele perspectieven, zie mijn blogs hierover). Ieder nadeel kent voordelen, en ieder voordeel blijkt keer op keer toch ook weer nadelen te kennen. Zo lijkt de drang naar bijvoorbeeld efficiëntere energieomzetting juist vaak te leiden tot een toename in de behoefte aan energie. Vraag en aanbod, zolang economische groei het bepalend kader biedt. Meer efficiënt werk of onderwijs zou heel goed kunnen leiden tot minder werk- en leerplezier en daarmee op termijn tot … minder efficiëntie.

En wat is efficiëntie? Wat op korte termijn het meest in lijn is met de overheersende imperatief (oneindige economische groei uit eindige middelen)? Hoe efficiënt is een uitgeputte werknemer, organisatie, of zelfs planeet op lange termijn? Het nettoresultaat, globaal bezien, valt niet meer te ontkennen: efficiëntie in termen van inverdienvermogen is het eerste dat we kwijtmoeten! Efficiëntie herdefiniëren in termen van Sustainable Development Goals (SDG's), dus in wat nodig is om de planeet en de natuur te “redden”, is daarentegen noodzakelijk. Toch vrezen wij – nog steeds vanuit onze hotelkamer – dat bij goede beschouwing van elk initiatief in deze richting, economische motieven telkens weer gaan overheersen. Dag SDG's!

De roep om efficiëntie betreft niet alleen instellingen, bedrijven, onderwijs en besturen, maar ook ons persoonlijk leven. Het betreft dan onze balans tussen actief en passief, inspanning, rust en werktijd en vrijetijd, dus onze dagindeling van uur tot uur (of per halfuur of zelfs kwartier). Zelfs de indeling van ons leven houden we met prachtige hulpmiddelen zoals agenda’s, smartwatches en apps via bliepjes en waarschuwingen, onder controle. Wel zo efficiënt! 

Psychologisch is het erg lastig om als je continu aan de roep naar efficiëntie probeert te voldoen, je over te geven aan inactiviteit, of ontspanning. Bijvoorbeeld als je in de auto van A naar B rijdt, is het lastig om na aankomst direct te ontspannen. Zoeken naar nieuwe interacties die het gestabiliseerde prikkelniveau in stand houden, is dan ook een veel voorkomende reactie. Zo kan je direct druk in gesprek gaan, of gaan chatten op de sociale media. 

Bij efficiëntie ligt, net als veel andere buzzwords, juist het omgekeerde (minder efficiëntie) op de loer. Een voorbeeldje: hoe moeilijk of zelfs onmogelijk is het om iemand die je echt van dienst kan zijn aan de telefoon te krijgen, bv bij een klacht via “efficiënte” doorklikmenu’s. Efficiënt voor het bedrijf (geen gezeik) en de telecomprovider (verdienen via 06). Het is, zoals gesteld, maar net vanuit welk perspectief je kijkt! Bij efficiëntie ligt inefficiëntie op de loer, zoals bij “verduurzamen” juist verdere uitputting van de bronnen en bij “veiligheid” verdere inperking van vrije bewegingsruimte op de loer liggen. Het doel van een efficiënte dagindeling is ontspannen, een paar minuten niets te kunnen doen, maar dat moeten we dan wel plannen als mindfulness, of yoga. Of als 1 weekenddag op de Bilderberg!

donderdag 24 maart 2022

Hedendaagse alchemie

Naast het zoeken naar sleutels der natuur om ziektes te genezen en het vinden van levensverlengende elixers, was het de alchemisten vanaf de zestiende eeuw vooral te doen om gewone metalen tot goud te transformeren. Nu eren we de alchemisten als voorlopers van de wetenschap (scheikunde). Toch wordt er vooral meewarig over hen gesproken. Maar wat ziet ons verre nageslacht, als ze bijvoorbeeld in 2222 terugkijken naar onze hedendaagse zoektocht naar innovatie?

Juist, hedendaagse alchemie. Naarstig is ieder kennisinstituut en ieder modern bedrijf op zoek naar … levende technologie, naar Artificiële Intelligentie, met echt denkvermogen, die vanuit een ingebouwd moreel kompas autonoom kan beslissen. De droom van toen, lood omvormen tot goud, is nu herboren: het laten ontstaan van mentale vermogens (geest) in bijvoorbeeld CPU’s. We noemen het, vol trots, de digitale transformatie. Net als de alchemisten van weleer, transformatie. Alle plekken waarin hier invulling aan wordt gegeven duiden we aan met Labs, naar de alchemistische laboratoria van weleer. Als men dan toch vanuit 2222 terugkijkt naar ons in 2022, zal men waarschijnlijk de alchemisten uit 1666 intellectueel gezien hoger achten. Natuurlijk, net als de oude alchemisten hebben ook wij de ambitie om, in de woorden van Yuval Harari, Homo Deus te zijn, echte scheppers, goddelijke mensen. En in dat streven zijn we zeker ver gekomen, hoewel dan vooral als anti Deus; we zijn in staat om de aarde volledig te vernietigen. Waar goddelijk creëren behelst natuur in diversiteit, produceren wij het omgekeerde: eindeloze uniformiteit.

Nee, we zijn kinderlijker, omdat we werkelijk ieder menselijk probleem – zelfs tegen beter weten in – weten te vertalen in een technologische uitdaging. De wonderolie van weleer, is nu “deep learning”, robot, cobot of chatbot, of ten minste “digitale transformatie”. Als we bijvoorbeeld geen mensen hebben om voor onze zieken, of ouders te zorgen, wordt er direct gewerkt aan zorgrobots, ongeacht de redenen van het gebrek aan zorgpersoneel. Te weinig onderwijzers leidt zo tot digitaal onderwijs, afstandsonderwijs, blended learning of, uiteindelijk, de onderwijzende robot. Verplaatsen leidt tot de autonome auto, of de digitale blindengeleidenhond.

De alchemisten waren echter minder opdringerig, ze trachtten niet ieder probleem op te lossen met hun “religieuze” in daadkracht omgezette streven naar rijkdom (goud) en daarmee macht en eeuwig leven (maar dan niet in de hemel, maar alvast op aarde). Maar waarschijnlijk was dat vooral omdat er toen veel minder alchemisten (intellectuelen) waren dan nu hooggeschoolden. Ons aantal is nu veel groter en ons streven is veel zichtbaarder desastreus. Dit maakt dat wij waarschijnlijk vanuit 2222 meer meewarig en hoofdschuddend zullen worden aangekeken dan onze illustere voorouders.

Op zich geen ramp, om vanuit de toekomst kinderlijk, of dom gevonden te worden. De kracht van onze hedendaags alchemie is (1) dat ze enorm tot de verbeelding spreekt (ook ik ben niet voor niets op een autonome muziekgenerator afgestudeerd, wie wil er niet voor Deus spelen?) en (2) dat ze economisch enorm goed rendeert.

Echter, we maken er enorm veel mee stuk en, hoewel niet te ontkennen, blijft dat voor velen aan het zicht onttrokken. Onschuldig kinderspel – als student werkte ik mee aan algoritmes voor gezichtsherkenning, superleuk – blijkt keer op keer te ontaarden in … terreur. Iedereen die de straat op gaat tegen een terroristisch regime (bijvoorbeeld nu in Rusland), loopt de kans een week later van bed gelicht te worden. Gezichtsherkenning, camera’s overal. En wat te denken van autonome killerdrones? Maar zelfs dit is niet het grootste probleem.

Het allergrootste probleem is dat we menselijkheid (contact, nabijheid, relatie, werkelijkheid) vervangen voor surrogaat (virtueel, kunstmatig, nep, afstand), voor schijnlevende technologie, want levende technologie is een fantasie, een sprookje. De alchemisten zochten naar goedkoop (lood) veranderen in edel (goud). Wij lijken het omgekeerde na te streven, het menselijke (onvervreemdbare) veranderen in het systematische (het goedkope, kunstmatige, machinale, copy-paste). Maar ook goud kan niet veranderen in lood, en mensen niet in dingen/machines. Wel kunnen we mensen frustreren met zich leven-lang moeten aanpassen aan systemen (digitale transformatie). We verwaarlozen daarmee de kracht en waarde van de menselijke oplossingen, en ondervinden steeds meer exponentieel de negatieve gevolgen van de technologische alternatieve oplossingen (wat “dankzij” technologische innovatie met de Oeigoeren gebeurt). Hoogst tijd om menselijke oplossingen dichterbij te brengen, in plaats van surrogaat oplossingen. Ik wil geen alchemist meer zijn!


donderdag 17 maart 2022

De robot is geen collega!

Scheld je ook wel eens op de computer als het ding niet doet wat jij wilt? Dicht je een apparaat soms persoonlijkheid toe? Mijn oude gitaren zijn voor mij als vrienden, metgezellen door het leven. Filosoof Anthony Kenny (geboren 1931) noemt dit “technologisch antropomorfisme” (een instrument of machine als mens met menselijke eigenschappen aanspreken). Niet doen, en gevaarlijk, stelt hij. Volgens hem heeft artificiële intelligentie, bijvoorbeeld, net zoveel met intelligentie te maken, als een klok met tijdsbesef: niets (wellicht slim geconstrueerd en vanuit sommige opzichten zinvol en vanuit andere opzichten achteraf vaak beslist niet). Het attribueren van intelligentie en andere humane eigenschappen, zoals gevoel en taalbegrip aan techniek, is gevaarlijk en vaak een bron van het onderschatten van het belang van mens-mens relaties en interacties. Hoe “slimmer” de techniek, hoe gevaarlijker, aldus Kenny.

Hoe prachtig een viool in bekwame handen ook mag klinken, het ding heeft geen ziel. Een robot is geen collega, maar een instrument (zelfs als jij er door "bespeeld" wordt, daar ga ik zo verder op in). Antropomorfisme helpt een gebruiker soms wel de mogelijkheden en beperkingen van een instrument beter te leren kennen. Als je een machine moet leren gebruiken, en je benadert het ding via het toekennen van menselijke eigenschappen, bijvoorbeeld als je bij het schakelen in de auto het ding hoort krassen en je zegt: dat vindt hij niet prettig, dan helpt dat het apparaat sneller te leren begrijpen. Bij het werken met computers geldt dit wellicht nog meer, als je teveel rekencapaciteit vraagt, bijvoorbeeld, zeg je: “nu gaat hij over zijn nek”, of “hij hangt”.

Er is één heel groot verschil tussen oudere technologieën, zoals violen en computers en nieuwere technologieën (internet zoekmachines, robots, chatbots, etc.). Oudere technieken zijn voornamelijk instrumenten in onze handen; hoewel we slechts een beperkte subset van ons eigen handelingsrepertoire kunnen inzetten, is dat wel om onze eigen gestelde doelen te behalen. Maar nieuwe techniek gebruikt vaak zonder dat je het bewust bent jou als instrument. Daarom zijn nieuwe technologieën slechts zeer ten delen op te vatten als instrumenten of gereedschappen. Bij instrumentele techniek is duidelijk wat het jou kan aandoen: een stuurfout in de auto, kan dat tot een naar ongeluk leiden, een misslag met de hamer kan leiden tot een zere duim of erger. Bij nieuwe technologieën is dit echter onduidelijker.

Nieuwe technologieën hebben soms jou als (deel)onderwerp, zonder dat je dat doorhebt en/of er (bewust) voor gekozen hebt. Terwijl jij denkt dat jij iets op het internet zoekt, wordt jouw zoekgedrag geanalyseerd en wordt jij aan een steeds beter passend profiel toegekend. Of je verplaatsingspatronen in de openbare ruimten worden geregistreerd (type winkelende consument, wandelaar, etc.). Of hoe goed je concentratie is, hoe vaak je in de auto corrigeert op een rechte weg (lane-departure, bv ivm verzekeringspremie), hoe diep je hoe lang slaapt, hoeveel stappen je zet, hoeveel van welk product je uit je koelkast gebruikt, etc. Ongevraagd krijg je een digitale tweeling, een schaduwwerkelijkheid, die door derden goed te volgen is om jou op tijd te waarschuwen, of, in slechte handen, te manipuleren of zelfs uit te schakelen. Toegepaste wetenschap doet met het opstellen van bv Persona’s (profielen van mensen met bv afstand tot werk) ook een duit in het zakje, maar dat is door de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het niet beschikken over zoekmachine (en algoritmes) a la Google, feitelijk vooral fancy.

Technologisch antropomorfisme maakt ons tolerant naar deze nieuwe systemen, die allemaal “iets” oplossen. Welk probleem was het ook alweer? Oh ja, gepersonifieerde reclamegelden bekostigen BigTech en zo de economie, onder het motto “technologische vooruitgang”, met als “uitdaging” ecological decline (nog op te lossen, goed voor toekomstige BigTech/economie). Gisteren nog las ik dat een tekort aan onderwijzers opgelost kan worden door ... de robot als onderwijzer! 

Iedere onderwijzer een hooglerarensalaris betalen zou die tekorten vast effectiever oplossen, het is een kwestie van keuze. Menszijn doen we in verbinding met elkaar! Een robot inzetten omdat een mens (het) niet kan, maakt de machine geen collega, tenzij we geen bezwaar hebben tegen technologisch antropomorfisme. I object!

donderdag 10 maart 2022

In dubio abstine: stoppen met leven voor uitroeptekens!

Vanaf dat ik me kan herinneren, hoor ik superlatieven: de grootste hits, beste films allertijden, of juist de slechtste mens. Wat ik toen niet kon begrijpen, is dat juist dit ons streven en oordeel ééndimensionaal maakt; het denken in termen van, of streven naar het beste, het grootste, het duurste, het nieuwste, of juist het rijpste, de knapste, de slimste, de mooiste maakt vaak meer stuk dan ons lief is. 

Vanuit één perspectief kan iets het beste zijn, of het uniekste, maar vanuit een aan oneindig grenzend aantal andere perspectieven is het dat niet, soms zelfs juist niet. Het denken in superlatieven (de overtreffende trap, zeg maar) leidt tot eenvormigheid, en niet tot diversiteit. Immers, het concept de beste docent, bijvoorbeeld, gaat er van uit dat er met 1 maatstaaf kan worden afgemeten waar zo’n persoon aan moet voldoen. Maar een pianodocent moet heel andere vaardigheden te berde brengen om zijn/haar pupil te laten slagen, dan de natuurkundedocent. Bovendien, wat is slagen? Ben je geslaagd omdat je leerling enorm veel plezier beleefd aan het spelen van een kinderliedje op de piano, of dat ze Mozart perfect kan spelen? Daarbij, op welke leeftijd, vanuit welke achtergrond? Of ben je geslaagd als je een klas in een zeer diverse wijk met kinderen van ouders met een lage SES de liefde voor natuurkunde kunt bijbrengen?

Om even te blijven bij het voorbeeld van de docent, de beste docent is zelden een docent op het VMBO, of een pianodocent aan leerlingen met Downsyndroom. En waarom niet? De beste middelbare school is zelden een VMBO. Waarom? Wat is goed onderwijs? Wij gaan er vaak impliciet vanuit dat hoe "hoger" het niveau, hoe "beter" het onderwijs, maar ik kan me heel goed voorstellen dat ambachtelijk onderwijs (VMBO, Middelbaar Beroepsonderwijs) feitelijk vanuit heel veel gezichtspunten toponderwijs is, bv met betrekking tot het plezier om echt iets te maken, in plaats van op een “hoger” niveau een (tweede tot tienderangs) "hoofdwerker" (lees kantoorarbeider) te worden... 

Natuurlijk snap ik dat als het je lukt om een “make-believe” te creëren waarin jouw product of vakmanschap tot de top behoort, dit in ons economisch systeem tot een selffulfilling prophecy kan leiden, waardoor de aanvankelijke “droom” uiteindelijk in veel aspecten werkelijkheid kan worden. De Beatles, bijvoorbeeld, zijn door een unieke cocktail van het momentum - de tijd, de kansen die ze kregen en de vakmensen om hun heen, inclusief hun eigen talent, de receptie van de wereld (de geschiedenis) – en alle prachtige verhalenvertellers tot en met vandaag de dag, in veel opzichten niet meer te overtreffen. Maar dat komt ook omdat de meetlatten juist door hun succes en handelen zijn gedefinieerd. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld universiteiten als Oxford, Cambridge, MIT en Harvard. 

Diversiteit gaat over het zien van mensen in hun eigenheid, met hun eigen krachten en moeilijkheden. Als er slechts langs één dimensie gemeten wordt, is er altijd maximaal de erkenning van één persoon – de beste op de gemeten dimensie – en daarmee de ontkenning van al die andere personen met hun eigen beste tot en met slechtste dimensies. En zelfs mensen die bijvoorbeeld de succesvolste sterren zijn, blijken zich vaak alsnog op al die niet gemeten dimensies enorm ontkend te voelen.

Voor mij kan de beste ook de monteur zijn, die dag in dag uit klaar staat om riolen te ontstoppen, of de leraar die moeilijk opvoedbare kinderen toch enige aandacht voor poëzie weet bij te brengen, of de bejaardenverzorger die met alle geduld ondanks diverse prikklokken het verstilde bestaan van onze ouders wat kleur weet te geven. Want één ding kan ondertussen zelfs door de grootste strebers niet meer ontkend worden: met al onze innovaties en streven naar steeds beter, mooier en duurder staan we met betrekking tot biodiversiteit, culturele diversiteit en klimaat er slechter voor dan ooit tevoren. Dat is dan toch een superlatief: het slechtste perspectief. Het roer moet om, zo snel mogelijk. Systemen zijn niet altijd de oplossing, maar veel vaker juist het probleem, omdat ze tot eenvormigheid en vermindering van diversiteit leiden. Vul voor systemen technologieën in, en de bewering is even geldig. Als we zouden beginnen niet alleen te streven naar het beste, maar bij twijfel niet te handelen, onze onzekerheid toe te laten, maken we een begin. Laten we stoppen met (uitsluitend) te leven voor uitroeptekens!

donderdag 3 maart 2022

Nieuwe werkelijkheid

Het is gek gelopen, de afgelopen 15 jaar. Had ik 15 jaar geleden een eigen kantoor, met eigen boekenkast op het werk, tegenwoordig ben ik ondanks dat ik op de sociale ladder geklommen ben, op het werk zelf een vluchteling geworden. Gisteren ben ik voor het eerst sinds lange tijd weer een hele dag fysiek op het werk geweest. De aanleiding was tweeërlei: een fysiek (dus niet online) college, en het tegelijkertijd met veel andere Corona maatregelen vervallen van het thuiswerkadvies. Onwennig liep ik om 8:45 het gebouw binnen, wetende dat mijn college pas aan het eind van de middag was. Direct om 9 uur had ik een vergadering, maar op één collega na, was iedereen thuis aan het werk. Ik zocht een lege ruimte, want de kamer waar ik was gaan zitten was ondertussen gevuld met 2 collega’s, die niet perse op mijn Teams-vergaderbijdrage zaten te wachten. Ik zag de collega zitten en dacht er bij te gaan zitten, maar het tegelijkertijd in het echt horen van de stem en op de koptelefoon veel later horen van de collega’s was zo verwarrend, dat ik snel een andere lege kamer zocht. Na een minuut of 10 kwam er iemand, die met (gespeeld) spijtig gezicht vertelde dat ze deze kamer had gereserveerd, dus met mijn laptop en telefoon in de hand en koptelefoon op ging ik verder op speurtocht, ondertussen doorvergaderend.

Na de meeting van 9 tot 10 kwam er één van 10 tot 11, van 11 tot 12, toen even pauze, en toen opnieuw … Alle vergaderingen kwam er minimaal één collega die de ruimte waar ik zat opeiste, die het erg speet, maar wel had gereserveerd en dus ging ik telkens weer op zoek naar een lege ruimte, die er gelukkig genoeg waren. Door dat continu verplaatsen, had ik mijn apparatuur niet bedrijfszeker om me heen staan, kon ik nergens double-tasken, raakte ik met mijn mails en redigeerwerk achterop. Eindelijk kwam het tijdstip van het hoorcollege: GEWELDIG! Echte studenten, niet via Teams ... Na mijn college van 1,5 uur heb ik zeker nog een half uur nagepraat met wat studenten, er waren zoveel vragen. 

Toen ik thuiskwam in de avond, ben ik direct naar bed gegaan. De peer reviews van een artikel voor een Amerikaans tijdschrift moet maar even wachten, net als de drukproef van mijn hoofdstuk in een eveneens Amerikaans boek. Ik was op.

Vanochtend ben ik al heel vroeg begonnen, ik had er zin in, aan de slag in mijn eigen thuiskantoor met mijn eigen computers. Het feit dat ik een blogje schrijf laat zien, dat ik alweer een stuk achterstand heb kunnen inlopen. Tussen de middag, tijdens de wandeling met de hond, bedenk ik deze blog. Er vindt een verplaatsing plaats als gevolg van de moderne communicatietechnieken, die nooit eerder zo duidelijk voelbaar was. Door onder meer het internet, kon de afstand tussen wonen en werken groter worden, konden mensen ook vanuit huis werkzaamheden doen (e-mails beantwoorden, lessen voorbereiden, etc.). Daardoor is het aantal werkplekken van 1 plek per werknemer teruggebracht naar 1 plek per 2 of 3 werknemers. Als alle collega’s van “mijn” academie tegelijk op het werk gaan werken, komen we enorm veel werkplekken tekort. De kantoortuin is zo geboren. Maar door Corona hebben we allemaal weer een eigen kantoor gekregen, met boekenkast, supercomputers, precies door onszelf ingericht in een omgeving waar we ook nog eens (vaak) zelf voor gekozen hebben. 

Zo heeft Saxion dus een kantoor in Oud Aalden, in mijn huis. Mijn lief Victorine, die ondertussen directeur van het Domein Zorg en Welzijn is geworden bij Windesheim, zit overigens één deur verder. Zo grenst Saxion aan Windesheim, en waarschijnlijk via al die andere collega’s die ik gisteren vanuit hun thuiskantoren sprak via Teams, aan zeer veel andere universiteiten, hogescholen, bedrijven en instellingen.

Maar … eigenlijk past de  inrichting (kantoortuinen, etc.) en bv een reserveringssysteem niet meer bij de huidige werkelijkheid. De inrichting op het Hoofdkantoor moet bestaan uit vele kleine ruimte, waar wie het eerst komt mag zitten. De omgeving moet veel aantrekkelijker worden, als een prachtig museum, met zalen voor iedere academie, waar je kan experimenteren in de labs. Want, zeg nu zelf, eigen kantoren zijn voor thuis! Bring in your own device werd met roerend goed niet overal een succes, maar nu wel met onroerend goed, TOP!

Uit de fuik zwemmen, het kan!

Toen, langgeleden, de zondvloed dreigde, zocht Noach zijn heil in technologie: een gigantische ark. In de bouw van een groot schip, of, meer...