Mijn grootste angst tot ik al ruim in de dertig was, was dat mijn vader er niet meer zou zijn. Hij stond altijd voor me klaar, letterlijk met raad en daad. Toen ik 39 was merkte ik dat deze angst verdwenen was. Toen ik 41 was stierf hij, volkomen plotseling. Bij wat het overlijden van mijn moeder voor me zou betekenen, had ik vreemd genoeg nooit stilgestaan. Toen zij overleed, ik was toen 45, maakte juist dat een ongelooflijke impact.
In de afgelopen drie blogs heb ik betoogt dat weerbaarheid meer “uitgedaagd” wordt in een complex (maatschappelijk) systeem dat gekenmerkt wordt door grote ingrijpende veranderingen vanuit onder meer BigTech. Deze keer wil ik stil staan bij het begrip zelf. De Cambridge dictionary omschrijft resilience (weerbaarheid) als: “the ability of a substance to return to its usual shape after being bent, stretched, or pressed”. Toegepast op een individu als wordt dit volgens hetzelfde woordenboek “the ability to be happy, successful, etc. again after something difficult or bad has happened”.
Een materiaal dat door de druk of andere omstandigheden wordt vervormd en daarmee haar oorspronkelijke vorm kwijtraakt, is niet weerbaar. Iets dat buigt, zonder terug te kunnen veren, is wellicht buigzaam, maar niet weerbaar. Evenmin is een weinig buigzaam materiaal, dat zou kunnen breken en dan dus ook niet meer terug kan komen in haar oorspronkelijke vorm. Vertaalt naar individueel aanpassingsvermogen, je moet mee kunnen bewegen in situaties met een grote impact (important life events), om daarna het gevoel van continuiteit in wie, wat en hoe je bent niet kwijt te raken. Doordraaien, gek worden, of helemaal afknappen zou je kunnen zien als een vorm van breken, en helemaal meebewegen als een vorm van identiteits zwakte...
Daarentegen is tijdelijk in crisis komen (inclusief doordraaien, even helemaal de weg kwijt zijn, of vluchten in een roes van het één of ander) niet perse indicatoren van een lage weerbaarheid. Important life events zoals scheiding, dood van een geliefde, ongeluk, trauma, verlies van werk, haat en laster, of tot de bedelstaf gedwongen te worden, veroorzaken dikwijls een periode van grote stress, waardoor je tijdelijk uit het lood kan zijn geslagen. Resilience gaat er dan over in hoeverre je in staat bent om toch weer de verbinding met wie je was terug te vinden. Als je ervaart dat je slechts een schaduw bent van wie je was, is de weerbaarheid op dat moment te gering. Als dit alles je niets doet, niet raakt, dan ben je of volkomen gevoelsarm (een koude kikker), of je bent een heilige. Hoewel, riep niet de meest heilige van ons allen Vader waarom hebt U mij verlaten?
Hiermee zijn we gekomen aan een probleem in het begrip weerbaarheid. Het betreft een metafoor, waarin de mens vergeleken wordt met een materiaal dat, nadat krachten daarop ingewerkt hebben, terug komt in haar oorspronkelijke vorm. Toegepast op een mens wordt 'vorm' dan gedefinieerd in termen van geluk (happiness) en succes, persoonlijkheid of mate aangepast zijn. Maar anders dan verval (entropie, een toename van chaos ten gevolge van verval van complexe samenhang) zoals corrosie of roestvorming die op termijn de weerbaarheid zullen doen afnemen, kennen materiele vormen geen ontwikkeling. Individu ontwikkelen zich wel. In het leven moet je soms 'breken', om een nieuwe gedaante te krijgen, en daarmee verder te gaan. Na een crisis kan een individu ook sterker terugkomen, de weerbaarheid is dan vergroot.
Leven toont in tegenstelling tot al het anorganische materiaal in het universum, negatieve entropie (negentropie, ofwel een toename van de complexe organisatie). Voor organismen geldt niet alleen het begrip verval, maar ook ontwikkeling, en zelfs transformatie. De metafoor van transformatie, waarin de rups een vlinder wordt, gaat net zozeer op. Wat weerbaar is voor de rups, is iets heel anders dan wat weerbaar is voor de vlinder. Vertaald naar ontwikkeling zou je kunnen stellen dat als gebeurtenissen voorkomen in een levensfase dat bijvoorbeel een kind er nog niet aan toe is, dit de weerbaarheid kan beïnvloeden. Beïnvloeden betekent versterken (minder waarschijnlijk), of verminderen (waarschijnlijk).
Een andere belangrijke bron die onze weerbaarheid mede bepaald, zijn de narratieven, de verhalen die we toepassen op wie we denken te zijn, op een gegeven moment als een last kunnen gaan ervaren, die de impact van “echte” gebeurtenissen in ons leven nadelig kunnen beinvloeden. Als ik mezelf vertel dat ik alles kan, als ik in staat ben om de meest positieve uitkomst voor ogen te zien, kan me dat vleugels geven (positief beïnvloeden). Daarentegen, als ik mijzelf heb verteld dat ik nu eenmaal zus of zo ben, of iets helemaal niet kan, zal dat indien in in een situatie kom dat ik dat juist zou moeten kunnen, enorm negatief beïnvloeden. En dan nog, juist hetgeen waar je nooit bij stil staat, wat je jezelf nooit hebt verteld, kan de grootste impact hebben, zoals het overlijden van mijn moeder waarover ik in de inleiding schreef. Volgende blog zetten we theorieen en narratieven en hun invloed op weerbaarheid centraal.
mijn vader aan het lezen...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten