Toegegeven, ik ben een optimist. Het is niet dat ik niet zie, dat meer dan 200 jaar industrialisatie, een kleine 2 eeuwen mobiliteitsmechanisatie (spoor en een eeuw automobiliteit) en nu volledige agency waarin de mens niet meer noodzakelijkerwijs in de loop zit, ons uiteindelijk nog veel meer zal opbreken dan “slechts” milieuvervuiling met gevolgen als klimaatverandering en krimp van (bio) diversiteit. Ook de vernietigingswapens (nucleair en anders) zie ik heus ook wel...
Nog niet zo lang geleden las ik de 2025 roman What we can know van de Britse literator Ian McEwan. Eens, de vraag is niet of we met generatieveAI (kunstmatige intelligentie met agency, dus zonder de noodzaak dat mensen meebeslissen) een catastrofe tegemoet gaan, maar eerder wanneer. McEwan plaatst hem in zijn toekomstroman in de jaren 30, die nu nog net voor ons liggen.
Maar net als in de roman van McEwan, geloof ik ook heilig in een leven na de catastrofe, waarin de mensheid langzaam zal opkrabbelen en de lessen van wat technocratie onherroepelijk brengt heeft geleerd. Vorige week schreef ik over You in front of endless space, een symfonisch stuk van een jonge componiste. Ik zie gelukkig overal jonge kunstenaars, intellectuelen en anderzijds maatschappelijk betrokkenen die zich verzetten tegen de dwingende tirannie van technocratie. Een nieuwe generatie die zich losmaakt of ten minste verzet van de technologische structurering van onze levenssfeer tot in haar haarvaten. Zoeken naar verbinding, perspectief en hoop op een bevrijding uit een steeds opdringeriger harnas van tech-macht, is steeds sterker een noodzaak geworden. Waar in bijvoorbeeld de jaren '50 het modernisme via de kunst ons een spiegel kon voorhouden door anders te kijken naar mechanisatie van ons leven, denken en voelen, door telkens de grenzen van de conventies op te rekken, is ondertussen dat naar mijn mening minder noodzakelijk geworden, en is verbinding met voor technocratische traditie, of met oorspronkelijke mensen samenlevingen (zoals indegenous people), met innerlijke schoonheid en een herwaardering van onze natuur nu noodzakelijk.
Maar goed, een optimist dus. Vanochtend toen ik wakker werd stelde ik me voor hoe mensen over 100 jaar gaan uitleggen hoe het leven in een technocratie klonk, voelde en meer algemeen eruit zag. Ik denk dan aan het continue geluid van machines (auto's, motoren, vliegtuigen etc.), dat je zelfs midden in de bossen in Drenthe of de Veluwe kan horen, of het gegeven dat het bijna nergens meer volledig donker wordt, onder meer door lichtvervuiling door lantaarnpalen, autolichten, vliegtuigen, satellieten, etc. Maar belangrijker is waarschijnlijk om uit te leggen hoe versnipperd het leven op een agenda is, opstaan, in de auto stappen, ergens naar toe rijden, iets doen, door de klok geregeerd om iets anders te gaan doen op dezelfde of een andere plek niet noodzakelijkerwijs omdat je klaar bent, maar omdat de klok een andere tijd aanwijst...
Dan stapt mijn lief in de auto, om naar haar werk in Zwolle te rijden. Ze is nog niet de straat uit, of ze stopt. Met Miep (onze labrador) loop ik naar haar toe. Ze is haar telefoon en Ipad vergeten. Ik haal snel haar smart devices op. Op het moment dat ik ze door het raampje aan haar geef, denk ik dat ik een blogje ga schrijven over leven in een technocratie. Wat nu zo vanzelfsprekend is, is dat namenlijk vanuit praktisch alle andere tijden van de mensheid totaal niet!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten