vrijdag 2 december 2022

Tussen kunst en kitsch

Sinds augustus werk ik intensief samen met Arjan Middelkoop - adviseur (sociaal) impact ondernemen bij ROZ-groep in Twente – , en dat is bijzonder inspirerend. Arjan is van origine beeldend kunstenaar, en zijn gave om continu op een andere – associatieve – manier naar de wereld te kijken en zo tal van ideeën met elkaar te verbinden, heeft hij in zijn carrière op het gebied van impact ondernemen weten te vertalen naar het sociale en economische domein, met als resultaat/inzet een enorm netwerk van mensen die met elkaar proberen niet alleen de dingen zo goed mogelijk te doen vanuit een economisch perspectief, maar ook het goede te doen vanuit een ecologisch perspectief, waarbij de menselijke natuur grotendeels ook onder die ecologie gerekend mag worden. In de afgelopen maanden is een groot aantal inzicht-gevende associaties de revue gepasseerd. Vanuit mijn theoretische kaders ben ik me enorm bewust geworden, dat verandering richting een houdbare en duurzame wereld, begint bij ondernemers. Impact ondernemen is eigenlijk een vreemde naam, want het gaat er bij impact ondernemen juist om de ecologische voetafdruk te verkleinen; je maakt ecologisch impact door de ecologische belasting van het ondernemen te verminderen, of zelfs de economische groei te remmen om zo de ecologie te laten herstellen/groeien.


Eén zo’n inzichtelijke associatie wil ik u niet onthouden: tussen kunst en kitsch! Volgens Arjan is in veel gevallen impact ondernemen meer kitsch dan kunst. Op veel bedrijven en ook kennisinstellingen wapperen de SDG vlaggen; de VN stelden 17 doelen op – Sustainable Development Goals genoemd – als doelstelling voor 2030 om naar een ecologisch (klimaat/natuur etc.) houdbare planeet te komen. Maar als je dan kijkt wat die bedrijven doen, dan gaat het streven naar sustainablity (impact) vaak niet verder dan lippendienst, of één afdeling die dit bepleit. Kitsch, volgens Arjan. De kunst is, deze kitsch – waar vaak oprechte en goede intenties aan ten grondslag liggen – tot kunst te verheffen. Oh, zeker, soms is duurzaamheid pure greenwashing, of purpose washing, een manier om economisch de zakken te vullen met gedachtengoed dat nu de wind mee lijkt te hebben. Maar vaak zijn er dan toch mensen bij betrokken, zelfs bij de compleet “verziekte” bedrijven waar de SDG-vlaggen puur voor eigen winstbejag wapperen, in zo'n bedrijf met oprechte(re) bedoelingen. Zij kunnen alsnog de kitsch omvormen tot kunst. Daarom, zo stelt Arjan, mag je zelfs als beeldend kunstenaar nooit minachtend doen over kitsch. Kitsch kan het begin zijn van de noodzakelijke verandering naar impact ondernemerschap.


Ik denk terug aan mijn jeugd. Mijn ouders waren gek op klassieke muziek en schuwden daarbij niet moderne (kunst) componisten, zoals Peter Schat en Louis Andriessen. Als kind ging mij dat boven de pet. Ik luisterde graag naar James Last, wat toen gold als kitsch. Later ben ik alsnog ook gek geworden op kunst. Ook met betrekking tot impact ondernemen, kan ongetwijfeld zelfs bij een oliemaatschappij, of BigTech instelling, de kitscherige kiem (SDG-vlag) uitgroeien tot echte verandering, en dus tot impact (het blijft een dubbelzinnig woord, want dit soort bedrijven hun letterlijke “impact” is juist het probleem. Zo worden de IDG’s ondersteund door onder meer Spotify en Ikea!


 Bij Saxion hebben wij Living technology als thema, en ook bij ons wapperen de SDG-vlaggen op onze gebouwen. Living in de context van technologie slaat op mensen, impact in de SDG-betekenis, wordt dan “vanzelf” sociale impact, de menselijke ecologie/natuur betreffende. Juist hierom is mijn samenwerking met Arjan, die expert is op sociaal impact ondernemen, bijna vanzelfsprekend. Deze week stond kritiek op kennisinstellingen centraal. In een opiniestuk van de U-today schrijft een student dat hij alleen technieken leert die de ouder (foute) handelwijzen (fossiele brandstof, bv) in stand houden. Hij stopt. Ook op de Erasmus Universiteit waren betogingen, omdat de universiteiten te weinig echt doen met SDG.


Op Saxion hebben we een Green Office, waarmee Ingrid Bles en haar team initiatieven ontplooien, en daarnaast laten zien wat anderen binnen Saxion doen. Daarmee verbinden ze mensen, zodat hun impact kan groeien. Marike Lammers heeft met haar team, de Saxion Onderwijs Innovatie Hub, en met hulp van Paul Edauw, een reeks prachtige impactvolle leergangen ontwikkeld die gebruik maken van het Saxion EYE model en die bijdragen aan de missie om purpose driven learning te verzorgen. Trots kan ik zeggen dat wij op Saxion echt bezig zijn om van Kitsch Kunst te maken en met de hulp van genoemde collega’s en Arjan, hoop ik hieraan bij te mogen dragen. 

donderdag 24 november 2022

Vroeger was alles … niet beter!

De wereld beter achterlaten dan die was bij onze geboorte, is in absolute zin voor iedereen die nu volwassenen is, onmogelijk. Goed nieuws, in relatieve zin is het waarschijnlijk een minder onmogelijke opgave. Hoe zit dat?


Laat ik mijn eigen geboortedatum (7 november 1959) als uitgangspunt nemen. Absoluut gezien waren eind 1959 alle ten behoeve van de globale economie onttrokken grondstoffen per jaar nog ruimschoots te regenereren door de planeet. Nu is de planetaire voetafdruk veel te groot, earth overshoot day was dit jaar eind juli. In 1959 woog de totale massa van mensgemaakte materialen nog geen 50% van de totale organische massa, nu zit dat rond de 120%. Gevolg: massaextinctie van leven (en biodiversiteit). Hoewel de 9 planetaire grenzen toen nog niet waren vastgesteld, was geen van die grenzen overschreden (nu 4, en 3 bijna). Hoewel herstel nog steeds mogelijk is, ga ik dat niet meer meemaken. Zelfs denk ik niet dat iemand die in 2022 geboren wordt, nog gaat meemaken dat de kengetallen van 1959 worden verbeterd, zelfs niet als we nu abrupt zouden stoppen met onze desastreuze wijze van omgang met de ecologie. Toch is het fout om te stellen dat vroeger alles beter was, want juist dat is zeer onwaar. Juist nu kunnen we beter zijn dan toen. Waarom?


In feite lag het in 1959 vast, dat de dag zou komen dat we er zo beroerd voor staan als vandaag. Dat lag in de wijze van omgaan met ecologie, waarin economie (en technologie- en kennisontwikkeling) voorrang kreeg op alles, aan een geloof dat de bomen tot in de hemel groeien. Onze hedendaagse twijfel aan het vooruitgangsdenken is winst, net als het feit dat we nu wel over planetaire grenzen en over overshoot day spreken. Initiatieven zoals Geluk Centraal, ecologie voor economie, Degrowth, consuminderen, Slow-Food beweging (tegenover Fast Food) en de betekeniseconomie waren er niet in 1959. Het imperatief oneindige groei uit eindige middelen had alles in haar grip. Ja, de grote denkers, waaronder Hanna Arendt en Jacques Ellul zagen het gebrek aan inzicht, de blinde futurologie van die tijd, maar kregen geen of nauwelijks gehoor. Laatst citeerde ik in een lezing Jacques Ellul, die in mijn geboortejaar stelde dat techniek de allesbepalende factor was van die tijd, en dat daarmee grote gevaren op de loer lagen. Gek genoeg is dat bewustzijn nog steeds niet echt doorgedrongen. Technologie is de roze olifant in de kamer, we hebben het over economie, maar zien niet dat economische groei en winstbejag gevolgen zijn van technologie ontwikkeling, zoals Ellul toen al stelde. We blijven het gevoel hebben dat wij zelf kunnen bepalen welke technieken wel of niet ingezet worden. In mijn lezingen bepleit ik met al het vuur dat een kerel in 1959 geboren nog in zich heeft, dat we net als na de grote bewapeningswedloop met ontwapeningsprogramma’s nu moeten beginnen met technologie ontwapening: de-tech our future! Als we dat niet doen, is er geen toekomst.


Deze week mocht ik toevallig moderator zijn op een vanuit India (Hyderabad) georganiseerde internationale bijeenkomst over AI-ethics, met een prachtige keynote van een Zuid Afrikaanse professor (Emma Ruttkamp-Bloem), waarin zij benadrukte dat AI ontwikkeling niet zonder stevige multi-disciplinaire inzet kan en ze benoemde talloze risico’s voor de mensheid met als slot betoog dat ethiek echt noodzakelijk is in het debat hierover, aan alle tafels.


Hoe kan ik dan toch de wereld beter achterlaten dan ik hem aantrof? Niet concreet. Maar wel intentioneel, door te werken aan bewustzijn, de andere kant op te leren kijken, de stemmen van mensen als Arendt en Ellul opnieuw te laten horen. Wel concreet kan ik in aanvulling hierop kijken naar wat ik zelf kan doen, de thermostaat lager zetten, niet elke dag douchen, geen vlees eten, of nog beter, vegan eten, geen vliegreizen maken …. Precies, de Inner Development Goals toevoegen aan de SDG’s, zelfs al worden sommige collega’s daar moe van. Vandaag kunnen we verbeteren, terwijl we, achteraf bezien, toen in 1959, elke dag zouden verslechteren!

vrijdag 18 november 2022

Te veel intern gericht?

Laatst was ik bij een grote bijeenkomst op een kennisinstituut waar ik een lezing gaf. De dagvoorzitter, een professional van dat instituut zelf, merkte herhaaldelijk op dat ze “te veel intern gericht zijn”. De hele ochtend hoop ik op een argument, een want of omdat, maar helaas tevergeefs. Ja, hij zegt een keer na de stelling weer herhaald te hebben: “Dat is gewoon mijn mening”. Wat overblijft is plaatsvervangende irritatie, die voor mij direct aanleiding vormt om me nu eens echt te richten op intern gericht zijn in het algemeen.


Dit incident staat niet op zichzelf. Ook bij andere kennisinstellingen waar ik als externe een lezing kom geven, hoor ik soms medewerkers zeggen dat “ze” te veel intern gericht zijn. Zonder schaamte. De Inner Development Goals benadrukken echter dat de grote duurzaamheidsproblemen alleen opgelost kunnen worden, als we serieus naar onze eigen gedrag en overtuigingen kijken. In plaats van naar buiten te kijken en te hopen op nieuwe helden, bestuurders en vooral technologieen, zodat wij door kunnen gaan met ons (consumptie)gedrag, moeten we juist naar “binnen” kijken.


Tijdens dezelfde bijeenkomst ontstaat enthousiasme over het thema inclusie. Nu heeft men daar zelf een onderzoekslijn gericht op Inclusie, maar direct roept een andere medewerker van daar dat zij nog wel een inspirerende spreker kent. U raadt het al, van buiten! Wat van buiten komt is lekker is, vreemde ogen dwingen. Hm, ik kan dat als externe spreker natuurlijk ook als compliment opvatten ...


Er zit iets paradoxaals in de uitspraak over te veel intern gericht zijn. Net als ieder kennisinstituut halen ook deze instituten de best mogelijke professionals via vacatures naar binnen, om jonge mensen op te leiden voor een professionele toekomst. Ook hun docent/onderzoekers zijn boegbeelden, inspirerend met elk op hun vakgebied state-of-the-art kennis. Waarom word je dan als je bij “intern” hoort direct geëxcludeerd – zelfs als je expert bent in inclusie? Waarom zoeken we inspirerende sprekers haast per definitie buiten de organisatie?


Het enige logisch sluitende antwoord dat ik kan bedenken, maakt het er beslist niet beter op: omdat men intern geen echt deskundige en inspirerende medewerkers heeft kunnen vasthouden. Immers, als je niets in huis hebt, hoef je je daar niet op te richten. Een inhoudsloos vat is voor inhoud aangewezen op … de buitenwereld. Als men dat vindt, snap ik alles: de dagvoorzitter, de mensen waar ik lezingen geef …


Als je weet dat je feitelijk niets te bieden hebt, snap ik dat je liever zegt dat men te veel intern gericht is, met als argumentatie “dat is gewoon mijn mening”. Natuurlijk wil je dat niet beargumenteren. Niemand zegt: “We zijn te veel intern gericht, omdat we eigenlijk alleen saaie en niet inspirerende derde keus medewerkers in huis hebben”, of “als we echt wat willen leren, moeten we de kennis van buiten halen”.


Nu wil ik met goed nieuws afsluiten. De dagvoorzitter zei veel mooie dingen, zoals dat alles dat je aandacht geeft, groeit. Ook de interne organisatie, dacht ik toen. Want ook bij dit instituut ken ik een aantal docent/onderzoekers waar ik met het grootste respect naar kijk. Ze hebben echt alles in huis om de studenten of opdrachtgevers van prachtige, geïnspireerde kennis en onderzoeken te voorzien. Ook hun medewerkers zijn allen prachtmensen! Als ik weer even terugdenk aan de Inner Development Goals en zoek naar wat wij zelf kunnen doen om een duurzamere wereld te creëren, zie ik een verband. Zeer veel Nederlanders blijken nu, met de energiecrisis, praktisch in staat om zelf (intern gericht!) de thermostaat veel lager te zetten, alleen de ruimtes te verwarmen waar geleefd wordt en een dikke trui aan te doen. Bij ons is dat 16,5 graad. Als de nood aan de man is, kunnen we het echt allemaal, onszelf eens diep in de spiegel aankijken. Of ben ik nu te veel intern gericht?


vrijdag 11 november 2022

Futures Literacy

Een belangrijke rode draad door mijn blogs kan gevangen worden in het woord literacy, ofwel geletterdheid. Zo schreef ik over het voordeel van ongeletterdheid, over laaggeletterdheid en over digitale- en systeem laaggeletterdheid. Bij al deze bespiegelingen koos ik een standpunt dat niet direct het meest samenviel met de standaardstandpunten op dat vlak. Zo betoogde ik dat een (natuurlijke in tegenstelling tot een formele) taal (of bijvoorbeeld muziekstijl) aanleren door onderdompeling zonder al uitgekristalliseerde kennis en vaardigheden vaak tot meer natuurlijke en flexibele taalvaardigheid leidt, dan wanneer een taal of een muziekstijl wordt aangeleerd via de “omweg” van een al aangeleerde taal, of al stijl. Met andere woorden, ongeletterdheid kan bottom-up taalverwerving faciliteren, terwijl geletterdheid aanzet tot top-down leren. Voor formele systemen is top-down leren waarschijnlijk handiger, dan voor meer natuurlijke systemen. Over de toenemende aantallen laaggeletterden in onze samenleving, schreef ik dat we de communicatie in de hedendaagse systeemwereld ook steeds ingewikkelder maken, waardoor wellicht zelfs hoogopgeleiden systeem-laaggeletterden dreigen te worden. In een gerobotiseerde wereld, trekt een mens uiteindelijk aan het kortste eind, zo betoogde ik ongeveer. Toch is er één vorm van geletterdheid, toekomsten geletterdheid (Futures Literacy), waar ik nooit letterlijk over sprak, maar waar feitelijk veel van mijn blogs een uiting van zijn. Vandaar dat ik het in deze blog centraal stel. 


 

Unesco kwam in 2012 met de term Futures Literacy (FL), die staat voor het vermogen dat mensen in staat stelt te leren inzien welke rol de “toekomst” (omdat die niet bestaat dus meervoud: toekomsten) spelen in ons gedrag, verwachtingen en visieontwikkeling vandaag. Uitgangspunt is dat het voorstellingsvermogen ontwikkelbaar is waarmee je nog niet bestaande toekomstbeelden kan extrapoleren uit het heden, en uit de gewenste toekomst, dus los van het heden, zeg maar in de fantasie. Hiermee is FL in te zetten als methode om de 5 Inner Development Goals – 1. Zijn (relationship to self), 2. Denken (cognitieve vaardigheden), 3. Relating (caring for others and the world), 4. Samenwerken (sociale vaardigheden) en 5. Aanpakken (de transitie aansturen) – vorm te geven.  


 

Als je leert je voorstellingsvermogen en fantasie in te zetten, kom je tot heel andere inzichten. Mijn oudste zoon, bijvoorbeeld, becijferde wat de minst milieubelastende vorm van vervoer is van Amsterdam naar Londen. Lopen en fietsen werd buiten beschouwing genomen. Op nummer 1 stond een volle dieselbus, op nummer 2 een vol vliegtuig. De trein volgde daarna (want staal en beperkt houdbare accu’s vol met moeilijk te verkrijgen en uiterst schaarse grondstoffen). Natuurlijk verkwist het vliegtuig enorm veel brandstof en is vliegen verre van energiezuinig, maar het feit dat er in de lucht geen infrastructuur (wegennet inclusief verlichting, waterafvoer, pompstations, relingen, (matrix)borden, etc.) nodig is, dat niet alleen enorm veel materiaal vereist, maar ook nog eens enorm onderhouds- en ongeluk gevoelig is (ziekenhuiskosten, etc.), maakt dat alleen de energieverspilling bij het directe gebruik toch nog “goedkoper” is, dan per auto, zelfs met accu! Maar, zo redeneerde mijn zoon verder, natuurlijk is er maar één echte oplossing: veel minder verplaatsingen, en dat begint bij iedereen individueel. Lopend kunnen we ook bijna overal komen (fietsen hebben al weer een behoorlijke infrastructuur nodig).  


 

Is dan bijvoorbeeld een groene accu waarmee je 1200 km kunt rijden minder goed dan een minder groene accu waar je slechts 120 km kan rijden? In zekere zin wel, hoe paradoxaal het ook lijkt. Maar dat kan feitelijk alleen worden bepaald, als gemotoriseerde verplaatsing georganiseerd is, bijvoorbeeld automobiliteit op een kleine schaal, treinmobiliteit op een grotere schaal en eventueel luchtmobiliteit intercontinentaal. Er zijn dan geen snelwegen meer nodig, en feitelijk is een auto die je naar het dichtstbijzijnde openbaar vervoer kan brengen en terug naar huis het beste, om de affordance structure te bieden die het meest ecologisch economische gedrag mogelijk te maken. Dus alle IDG’s komen aan bod: 1. Being (veel minder verplaatsing is nodig om op je plek te kunnen zijn), 2. Denken levert een analyse van het (sub) systeem, waaruit vaak blijkt dat zaken na extrapolatie anders zijn dan ze lijken, of worden voorgedaan, 3. Om de wereld te kunnen behouden en ook nog (veel minder) gemotoriseerd te kunnen verplaatsen is een goede affordance structure nodig, 4 waarvoor samenwerking op vele vlakken helpt om meer optimaal de energie te benutten (carpoolen, veel meer OV) en 5 willen we hier komen, moeten we beginnen met het bouwen van de juiste affordance structure!  


Terug naar FL: een groene superaccu zal ongetwijfeld leiden naar meer kilometers verplaatsing per persoon, en dus tot meer materiaalgebruik en daarmee meer belasting van de ecologie. Minder mobiliteit, maar wel zo ecologisch verantwoord mogelijk, kan helpen ook te kijken naar wat we minder kunnen gaan doen! 


vrijdag 4 november 2022

Is technologie wel onze toekomst?

Het woord religie komt van religare. Het staat voor samenbrengen en verbinden, vanuit het Latijn (religio). Vaak wordt er bij religie aan zingeving gedacht, aan het vanuit een overstijgend kader betekenis geven aan het nu en de (nabije) toekomst. In moeilijke tijden neemt de behoefte aan perspectief en dus zingeving en verbinding vaak toe vergeleken met tijden van voorspoed.

 

De huidige crises tezamen - energie, oorlog in Oekraïne, mondiale politieke spanningen, klimaat- en duurzaamheidsproblematiek – kenmerken een moeilijke tijd. Het contrast is groot met de jaren van herstel en opbouw die de decennia na de Tweede wereldoorlog kenmerkten, waarin optimisme en welvaart ons bijna deed geloven dat de bomen tot in de hemel groeiden. Traditionele religieuze banden verslapten, de kerken liepen relatief leeg. Onze planetaire voetafdruk werd tegelijkertijd steeds groter. De huidige generatie bestuurders en burgers plukken daar de wrange vruchten van. In slechtere tijden ontstaat weer behoefte aan verbinding en perspectief, “religie” is weer noodzaak. Echter, de vraag is wat ons nu samenbrengt en verbindt, waaraan wij nu onze troost en hoop ontlenen? Zijn dat kerken, yogascholen, de sportclubs, of de sociale media?

 

Al in het begin van deze eeuw kwam Nokia met de leus Nokia, connecting people. Het lijkt erop dat wereldwijd Techgiganten in het gat zijn gesprongen dat eind 20steeeuw ontstond door het loskomen van kerk en vaderland. Grenzen vervaagden, wereldwijd werden we door Bigtech en basic English gekoloniseerd. De tech “missionarissen” spiegelen ons sindsdien toekomsten voor, waarin we allemaal verbonden zijn. Apple: "the all in one for everyone". Microsoft: "Our mission is to empower every person and every organization on the planet to achieve more." De hemel is direct bereikbaar, en heel concreet. In de middeleeuwen bood religie hooguit uitzicht op een hemelse (of helse) staat in het hiernamaals. De moderne religiedragers hebben het ook veel over de toekomst. Shaping the future, of Samsung “the next big thing”, of Vodafone die ik vorige week noemde (“Wie technologie kan omarmen, kan dromen waarmaken & Wie vernieuwing kan omarmen, kan uitblinken als pionier”).

 

Technologie heeft onze wereld gekoloniseerd, en impliciet geloven wij allemaal dat ze onze toekomst zal bepalen. Als je mensen vraagt hoe de wereld er over 50 jaar uit ziet, dan gaat het over robots, over een mensheid die wellicht nauwelijks iets hoeft te doen, een basisinkomen nuttigen, en natuurlijk genieten van ook dan weer “the next big thing”. Voor sommigen een hemel, voor anderen een hel, a la Pixar film Wall-E uit 2008, waarin de aarde door vervuiling en overvraag naar materialen en middelen onleefbaar is geworden en de mensen in een ruimteschip continu slechts consumeren in een volledig door automaten en robots gegenereerde leefomgeving. Als je mensen vraagt hoe ze “later” zouden willen leven, ziet dat er heel anders uit dan wat ze als verwachting schetsen. Het gaat dan vaak over samen zinvol bezig zijn, in verbondenheid en niet over technologie, of oeverloos consumeren van (smart) vermaak en overal gevolgd worden door slimme systemen.


Hoogst tijd om deze discrepantie onder ogen te komen. Technologie heeft ons in onze greep, is ons geloof, maar niet per se een vreugdevol en fijn geloof. Met elke nieuwe “oplossing”, komt de noodzaak van nieuwe “oplossingen” om de eerst nog niet zichtbare ongewenste bijwerkingen te verzachten. Het is als een wapenwedloop, een technologiewedloop. Want anders dan traditionele religies, creëert de tech wereldreligie materie. Zelfs een virtuele wereld (the metaverse), is wel degelijk materieel. De mensgemaakte massa (textiel, kunststof, asfalt, beton, glas etc.) weegt nu al 1,2 keer de massa van al het organisch materiaal op aarde (alle bomen, dieren etc.). Iedere nieuwe vervuiling vraagt om zwaardere zuivering, iedere dijkdoorbraak om zwaardere dijken. Het houdt pas op als we “think different” (Apple) niet aan technologie overlaten, maar zelf de mindshift gaan maken.

 

De Inner Development Goals bieden daartoe een kader. Via 5 psychologische factoren - zijn, denken, relatie tot de wereld, samenwerken en aanpassen – kan de mindset worden getransformeerd om de duurzaamheidsproblemen aan te pakken. Voor ondernemers, bijvoorbeeld, maakt de attitude het verschil en niet per se de gebruikte technologische producten. Durven we de hypothese te onderzoeken dat technologie niet noodzakelijk de hoofdrol moet spelen in onze menselijke toekomst?

vrijdag 28 oktober 2022

Van SDG tot IDG tot ... mezelf: 4 ergernissen

Wij zijn psychologische wezens, die met ons verstand en ook gevoel (emotie) prikkels ontvangen en tot informatie verwerken. Mijn partners en ik zijn bezig met het opzetten van een gedragsmatige kennislijn om vanuit de Sustainable Development Goals van de UN te komen tot gedragsverandering (te vaak wordt er louter gehoopt op technologische innovatie). Hierbij volgen we de Inner Development Goals, die stellen dat vooral ons eigen bewustzijn en vervolgens gedrag ons helpt de planeet houdbaar te maken, omdat technologie een grote rol speelt in de onhoudbare situatie waarin we gekomen zijn. In deze blog mijn nummer 4 ergernissen van deze week.

  • 1. Greenwashing. Lector Kees Klomp wees op 24 oktober op LinkedIn terecht op een artikel in het FD van 22 oktober “Bedrijven niet op aarde om het goede te doen”, waarin Carsten Lotz (partner bij McKinsey) onomwonden stelt dat bedrijven dienen om de economie aan te jagen. De overheid moet vervolgens de ecologische en maatschappelijke kaders bewaken en religies hebben de taak om mensen hogere, spirituele doelen te laten nastreven. Oneens, wel eerlijk, in tegenstelling tot sommige bedrijven, overheids- en kennisinstituten, die in lijn van Lotz handelen (winst najagen), maar naar de buitenwereld de indruk van duurzaamheid wekken. Dat heet Greenwashing of Purpose washing, duurzaamheid maar dan vooral in de slogans van de P&R afdeling. Remedie: Beken Kleur! Volg Carsten Lotz in open- en eerlijheid, of volg de intentie om echt de ecologie voor de economie te plaatsen.     
  • 2. Goed voor het milieu. Typisch zo’n slogan. Men bedoelt dan dat een belastende product waar reclame voor wordt gemaakt minder schadelijk is dan gelijksoortig product van de vervuilendste concurrent. Dat is dan ook nog met de kennis van dit moment, pas achteraf blijkt vaak dat schoon toch heel wat minder schoon is dan aanvankelijk werd gepresenteerd.
  • 3. Wie technologie kan omarmen, kan dromen waarmaken & Wie vernieuwing kan omarmen, kan uitblinken als pionier. Nog twee slogans, nu van Vodafone. Telkens weer krijg ik ze voorgeschoteld, vaak met een foto van een grote landbouwmachine die met machineleer algoritmes heeft “geleerd” het onkruid te wieden en het gewas dat gekweekt wordt te laten staan op een eindeloze monocultuur. Behalve dat er enorm veel valt af te dingen op de prestaties (de machine vangt geen insecten, waardoor gifspuiten vaak nodig blijft), vormt dit een voorbeeld van de dingen goed doen in plaats van de goede dingen doen: zo goed mogelijk een onhoudbare praktijk (industriële landbouw/monoculturen die de biodiversiteit meer dan bedreigen) in stand houden. Innovatie is nodig, maar vooral in gedrag, niet in gedrag vervangende technologie. Robotisering brengt problemen die nog veel ingewikkelder zijn dan de problemen die we nu al niet aan kunnen.
  • 4. Simplificatie. Een voorbeeld. Richard Koopman haalt in de Volkskrant Winston Churchill aan met Never waste a good crisis en stelt dat de 23 miljard die de overheid in één jaar belooft uit te geven om een prijsplafond te creëren, slechts 2 miljard minder is dan wat nodig is om iedereen zonnepanelen op het dak te geven, die 25 jaar alle burgers van groene huishoudelijke energie zouden kunnen voorzien. De grote vraag bij schaars aanbod (oorlog), drijft de prijs omhoog en overheidssteun doet niets aan het structurele probleem (afhankelijkheid van vervuilende en eindige fossiele brandstof). Een mooie mindshift, maar kom op. Het idee zonnepanelen op elk dak zal nu de koude-armoede niet oplossen. Het is een simplificatie van wat bestuurlijk en operationeel mogelijk is. Praktisch alle wereldwijd geproduceerde zonnepanelen zouden grotendeels naar ons land moeten. Voor de benodigde arbeidskracht moet praktisch ieder gezin minimaal één 16-plusser afstaan (stoppen met school, of werk) om fulltime als zonnepaneelmonteur aan de slag te gaan. In het gunstigste geval - veel ongelukken, fouten ten spijt, zo simpel is montage niet – zou de klus over een paar jaar af zijn. Nu een dikke trui kopen, en echt de energiebehoefte temperen, is wellicht toch niet onverstandig. Dat is meer dan “niets doen”; een prijsplafond is misschien een humane tegemoetkoming in het benutten van deze crisis richting gedragsverandering!


Hoe dan ook, van SDG naar IDG vraagt om eerlijke en openhartige analyse en reflectie, ook al snap ik dat populisme de weg is waar we voorlopig allemaal op zijn aangewezen vanwege de dominant geïntegreerde sociale media.

vrijdag 21 oktober 2022

Popmuziek herbergt culturele diversiteit, waar onderwijs veel weg heeft van een culturele "witwas" machine!

Door globalisatie komen met name in de stedelijke gebieden in de westerse wereld steeds meer nationaliteiten voor, elk met een eigen culturele achtergrond. Ten gevolge daarvan is er ook sprake van een toegenomen culturele diversiteit in die steden. Tegelijkertijd ontstaat er een globale cultuur. Hier is sprake van een paradox: onze cultuur wordt door immigratie eerst meer divers, maar succesvolle educatie beoogt voor ieder kind maximalisatie van de mogelijkheden binnen de opkomende globale cultuur en vermindert daarmee idealiter de culturele diversiteit. Echter, keer op keer blijkt dat kinderen vanuit niet (of minder) westerse culturen, tot in de tweede en zelfs derde generatie nog achterlopen met betrekking tot schoolsucces, en Sociaal Economische status (SES). Er wordt dan gesproken van disadvantaged groepen. Hoe komt dit?

Belangrijk is in te zien dat de meest succesvolle scholen qua uitstroomniveau, voornamelijk kinderen vanuit een (autochtone) middenklasse achtergrond als instroom hebben. Diversiteit staat succes in de weg, zo lijkt het. Hoewel, sommige scholen lukt het heel goed om ook kinderen uit “nieuwe” culturen tot de (boven) gemiddelde verwachte resultaten op te stomen, maar vaak lijkt te gelden dat hoe lager de SES (meer cultureel divers de instroom) hoe lager de resultaten. Dit betekent feitelijk louter dat deze kinderen van huis uit minder ondersteuning ondervinden om zich aan te passen aan de dominante cultuur. Of, preciezer verwoord, aan de in de dominante Westerse cultuur gepercipieerde aspecten die belangrijk genoeg worden geacht om er op school ingehamerd te worden en waarvan vervolgens de resultaten nauwkeurig worden geëvalueerd. In zowel theoretische, als toegepaste aspecten zijn schoolresultaten (en later academische- en werkprestaties) gedefinieerd en herkenbaar als afspiegeling van deze dominante (witte westerse) cultuur. Daar valt veel voor, maar ook tegen te zeggen.

De weg vanaf de Verlichting die ons voorspoed zou brengen, blijkt steeds meer een doodlopende weg te zijn, onder meer met betrekking tot het klimaat en uitputting van de bronnen die de planeet kan leveren (de ecologie). Juist nu er een globale cultuur is ontstaan waar al die andere culturen in worden geassimileerd, is het de vraag of culturen die duurzamer met de ecologie omgaan en problemen hebben met accommoderen aan de globale cultuur, niet juist meer stem zouden mogen krijgen in de transitie naar een meer duurzame globale cultuur. Op school en in onze academische en werkprestaties geldt praktische overal dat economie voor ecologie komt, en precies dat is onhoudbaar. De nadruk ligt telkens op tellen, meten en wegen, op omzet en op continu op korte termijn aanpassen aan nieuwe (digitale) technieken, mogelijkheden en problemen. Gechargeerd, het is of succes hebben door als geletterde te leven in een systeemdictatuur, of als laaggeletterde de wedstrijd om een robot te worden opgeven. Dat begint al op school, dat steeds minder het domein is van autoriteit met kennis en wijsheid, die de kinderen helpt ingewijd te worden in een cultuur waarop we trots kunnen zijn. Thuis is soms, ondanks de lagere SES, die trots nog wel aanwezig.

Mogelijk wordt school en het beroep van onderwijzer (in vervolg op vorige week) voor iedereen minder aantrekkelijk, juist omdat het zo nadrukkelijk alles trechtert naar slechts één (westerse) culturele werkelijkheid. Convergeren zou ook divergeren kunnen zijn. Een voorbeeld vormt popmuziek, waarin de succesvolle producties een veelheid aan stijlen kenmerken, van wit (heavy metal) tot zwart, tot talloze tussenvormen. Feitelijk kan bijna iedereen vanuit diverse culturele achtergronden zich wel vinden in een bepaalde acid of hiphop stijl, of juist in een traditionele countryrock stijl. Popmuziek werkt daarbij dus niet perse als een instituut dat de diversiteit omlaag brengt. Scholing doet dat, onbewust, en vaak met uitgebreide inclusieprogramma’s, dus juist wel.

Met door de United Nations uitgeroepen duurzaamheidsagenda gaat het niet goed, zoals het er nu uitziet gaan we de Sustainable Development Goals op geen stukken na halen. Wellicht ligt er in andere culturen heel veel kennis, inzicht en omgangsvormen die wij zouden kunnen gebruiken. School als centrum van divergeren (in plaats als convergerende melting pot). Durven we het aan, om iets meer de succesvolle multiculturele adaptatie van popmuziek toe te laten in het onderwijs?

Wind onder de vleugels... Op een inspirerende vakantie!

Op de valreep voor de vakantietijd, voel ik me altijd weer wat ontheemd. Enerzijds is het heerlijk om uit de routines te stappen, en samen m...