vrijdag 29 november 2019

Grenzeloos begrensd

Deze week viel me iets op. Zowel op een winkelruit van een winkelketen, als op de ruiten van het fastfood “restaurant” zag ik een aankondiging van inmiddels al doorgevoerde gewijzigde openingstijden. Fastfood 4 dagen in de week 8:00 tot 2:00 uur, drie dagen 8:00 tot 4:00, winkel 7 dagen per week 9:00 tot 22:00 uur. Vierentwintig uurseconomie, als we echt willen emanciperen zijn openingsuren buiten kantoortijd nodig, maar 24 uur?! Voor wie?

Niet alleen is onze wereld de afgelopen 20 jaar onder meer door het worldwide-web kleiner en globaler geworden, met een dagelijks verminderende bio- en culturele diversiteit als een van de vele gevolgen. Ook - en dat is naar mijn mening positiever - zien we een versnelde adoptie van nieuwe zienswijzen en het sneller verwerpen van verworven “rechten” (die vaak verdedigd worden onder de geuzennaam traditie). Zo raakte zwarte piet uit de tijd, roken achterhaald (grenzeloosheid begrensd) en gingen winkels open op zondag (begrenzing begrensd) wat vanuit de Christelijke traditie tot voor kort not done was. In Noord Scandinavië was het bijvoorbeeld tot in de jaren vijftig verboden om de joik te zingen - de muziek van het nomadisch natuurvolk de Sami die in Noord Europa als rendierjagers leefden - omdat het als niet christelijk werd beschouwd. Tegenwoordig mag de toik overal gezongen worden, al leven er nog maar weinig Sami volgens de traditionele cultuur. Begrenzing begrensd geeft ... grenzeloosheid en daarmee schaalvergroting en nieuwe bedreiging van diversiteit...

Terug naar de snelle verandering in zienswijze met betrekking tot roken. Rond de eeuwwisseling was dit in gemeenschappelijke ruimtes nog geaccepteerd en slechts een paar jaar later absoluut “not done”. Ook schaars geklede vrouwen zijn in korte tijd verbannen van billboards en publieke reclamezuilen, ongeveer gelijktijdig met de opkomst van Me-too en een stroom van aanklachten tegen seksistisch grensoverschrijdend gedrag, doorgaans van mannen. Nu zien we dat grensoverschrijdende beelden op posters letterlijk van geslacht zijn gewisseld: bloot en “verleidelijk” mag nu nog slechts - zo lijkt het - mannelijk en metro/homoseksueel zijn. Stoppen met werken is ook in enkele decennia van 57,5 jaar naar 67 jaar opgehoogd. Ook de maatschappelijke zienswijze ten aanzien van spermadonoren is relatief snel veranderd; met DNA technieken is de vaderlijke lijn tegenwoordig te achterhalen, en blijken sommige mensen meer dan honderd halfbroers en zussen te hebben. Dat kan echt niet meer, een nieuw registratiesysteem is intussen verplicht. Dieselmotoren zijn ondertussen not done, zwarte Piet kan beslist niet meer, zeker niet door de ogen van de wereld buiten Nederland. Ook al zullen onze ouders het niet bedoeld hebben als discriminerend en verachtend naar mensen met een zwarte huidskleur, “ons” verleden is alles behalve schoon met betrekking tot racisme en de Pieten kunnen net zo goed een regenboog kleurtje of roetvlekken hebben. Een zeer recent voorbeeld van snelle verandering in zienswijze is het 100 km per uur rijden om de stikstofoxide crisis het hoofd te bieden, en het terugdringen van de vleesconsumptie.

Nogmaals, wat mij betreft is het positief dat op grond van nieuwe inzichten verworven “rechten” en “traditionele” vanzelfsprekendheden niet langer heilig zijn. Natuurlijk snap ik dat dit soms pijn doet, en tolerantie in overgangsfasen is dan ook gewenst. Zo is het ronduit vervelend als al je spaargeld in een diesel zit die je aan de straatstenen niet meer kwijt kan. Maar begrenzen is bittere noodzaak, de grens van wat onze aarde kan geven is al lang bereikt. We moeten en we kunnen, zo blijkt uit al deze voorbeelden! Één Lubach uitzending doet soms net zo veel goed als een jaar politiek geharrewar!

Verandering is nodig, en dat begint bij een nieuw bewustzijn. Daar ligt het eerste punt, smart technology drijft ons op tot een allesvernietigend tempo, 24 uur per dag, 7 dagen in de week. Het wordt hoogst tijd dat we ook hier ons druk gaan maken. Nu is techniek en AI iets dat we ons laten overkomen: “of we willen of niet, het wordt steeds belangrijker, we kunnen er niet om heen.” Is dat zo? Het punt is dat we sneller overgaan tot een massale mentaliteitsverandering, en dat is nodig ook. Verworven rechten inperken, hoewel begrenzing van begrenzing grenzeloos is en niet vanzelfsprekend goed. De discussie hierover is eindelijk op gang gekomen, met dank aan Greta!

Om met een vrij vertaalde Sami joik tekst (bron: Wikipedia) van zangeres Mari Boine te eindigen: “Luister, broeder. Luister, zuster. [...] Luister naar de stemmen van de oermoeders. Die vragen waarom de aarde vergiftigd en geconsumeerd is. Ze herinneren jullie eraan waar jullie vandaan komen. Ze willen jullie eraan herinneren, dat de aarde onze moeder is. Wanneer wij haar leven nemen, zullen wij tezamen met haar sterven”.

PS nog even en er is geen Sami cultuur meer om te zingen ....


vrijdag 22 november 2019

Zotheid

Dichotomieën splitsen onze wereld op in 2 elkaar niet overlappende categorieën. Zwart versus wit, goed versus slecht, autistisch versus neurotypisch, slim versus dom, etc. We weten dat we hiermee duidelijkheid creëren, die echter bij nader inzien toch vooral verwarring en misverstand veroorzaakt. Zelfs wit is bij nader inzien lang niet altijd wit en zwart niet altijd zwart. In de afgelopen jaren heb ik getracht autistisch en neurotypisch als componenten van een universeel ontwikkelingssysteem te herdefiniëren, maar de belangen om de dichotomie stand te laten houden, zijn veel te groot, in de wetenschap, in de gezondheidszorg en zelfs bij de ervaringsdeskundigen zelf. Geïnteresseerd in de beroemdste filosoof die Deventer heeft voortgebracht, de grote humanist en filosoof Desiderius Erasmus, kwam ik al een onderscheid tegen in de Renaissance dat sterk doet denken aan dat tussen neurotypisch en autistisch.

Van 1478 tot 1485 studeerde Desiderius Erasmus aan de Latijnse school te Deventer, zijn studie rondde hij af in 1487 in ‘s-Hertogenbosch, omdat hij Deventer vanwege een uitbraak van de pest moest ontvluchten. In 1509 schreef hij in Londen zijn beroemde werk Lof Der Zotheid. In dit werk besluit de godin Zotheid een lofrede op haarzelf te gaan houden, wat ze verdedigt door te stellen dat dit veel beter is dan de aristocraten, die iemand er voor betalen om beroemd te worden en die graag te koop lopen met hun “talent”. Ze verdeelt de wereld in zotten en wijzen. De godin had 9 dienaressen: Eigenliefde, Vleierij, Vergeetachtigheid, Werkschuwheid, Genot, Dwaasheid, Weelderigheid, Drinkgelag en Vaste Slaap. Verreweg de meeste mensen waren zotten, en dat was maar goed ook. Dankzij zotheid blijven menselijke relaties in tact, is er vergevingsgezindheid, is er plezier en is er schijnbegrip, de waan van de dag en waren er de heerlijke deugden. Zonder zotheid geen vleierij, zotte eensgezindheid in menigtes, heldendaden, en ironie, en daarmee geen mogelijkheid conflict en zelfs oorlog te beslechten. De zotheid, zo prees zij haarzelf, was goed, bracht liefde en hartstocht, verschafte de kleintjes plezier en bracht de ouderen terug naar hun kindertijd.

Tegenover de zotten stond een hele kleine groep van “wijzen”, die zonder uitzondering ongelukkig waren, omdat ze de rede aanbaden en zich bezig hielden met wetenschappen (onder meer retorica, logica, natuurkunde en astronomie), terwijl moeder natuur slechts een heel klein plaatsje in ons brein aan de rede heeft toebedeeld. Verder is het lichaam overgelaten aan allerlei emoties, die de kleine groep “wijzen” trachten te negeren, door zich in te laten met moeilijke studies die buiten het vermogen van de menselijke natuur liggen. Bovendien was de rede niet opgewassen tegen de twee gewelddadige hartstochten, de toorn en de seksuele begeerte. Er werd niet naar de wijzen geluisterd, omdat hun opvattingen in niets leken op de alledaagse opvattingen en volkse gebruiken. Ze werden door het volk gemeden en verafschuwd, en hun levenslust raakte uitgeput door zorgen en eenzaamheid. Hierdoor waren het sombere en zwartgallige mensen, die zichzelf kwelden en haatten en droefenis brachten bij hun familie.
Met de dichotomie neurotypisch - de zotheid - en autistiform in mijn hoofd, kan ik bijna niet anders dan denken dat Erasmus 500 jaar geleden al over neurodiversiteit spreekt. De wijzen lijken in zijn beschrijving “verdacht” veel op wat we tot voor kort als hoogbegaafde Aspergers beschreven (of zoals Hans Asperger ze tijdens hun kindertijd beschreef: little professors). Ondanks de loftrompet op de massa, de zotheid, kiest Erasmus echter uiteindelijk toch voor de minderheid, de wijzen, voor het verstand en de rede. Hij koos daarbij niet voor de zotte aristocraten of schijnbaar geleerden, die grotesk met ideeën van de wijzen aan de haal gingen, maar voor de echte die-hards, de nerds (wat we nu Aspies of neurodiversen zouden noemen).

Ondertussen weten wij veel beter dan men in de tijd van Erasmus kon vermoeden, wat die kleine rationele en natuurwetenschappelijke (maar niet natuurlijke) orde - de Verlichting - ons zou brengen: heerschappij over alle natuur, met alle rampzalige gevolgen van dien. Ook liep Erasmus met zijn onderscheid tussen de Zotten en de wijzen een kleine 500 jaar vooruit op het onderscheid dat Nobelprijswinnaar psycholoog Daniël Kahneman maakt tussen systeem 1 denken (snel, instinctief en emotioneel, parallel, natuurlijk en feilbaar: de Zotheid) en systeem 2 denken (traag, serieel, logisch doordacht en minder natuurlijk in gebruik: de Wijsheid). Eerder werd opgemerkt dat hoog functionerende autisten anders dan neurotypische mensen vooral via systeem 2 werken, waardoor er een tragere informatieverwerking is, etc.

Maar ... Dichotomieën zijn .... zot! De wijzen brachten onze alledaagse werkelijkheid op hol, van automobiliteit tot kernenergie en AI. De zotten zette dit alles in in nietsontziende globale verdienmodellen en bestieren daarbij en-passant de wijzen vooral ook als psychiatrisch verdienmodel. Is de godin Zotheid haar weldadigheid toch verloren?


vrijdag 15 november 2019

De wet van Brooks en het didactisch tekort in de workshop methode.

Kent u dat ook, een hedendaagse workshop? De workshopleider zegt de presentatie kort te zullen houden, een paar minuten, en daarna u aan het werk te zetten. Vervolgens wordt er op een weinig systematische wijze zeker 20 minuten vol gebabbeld, waarna het gezelschap in 3 groepjes van 5 of 6 deelnemers wordt ingedeeld. In deze blog beschrijf ik een typische workshop vanuit mijn persoonlijke neurodiverse (autistiforme) perspectief.

Laatst was ik bij zo’n workshop over design denken. De schrijver van een nieuw lesboek stelde in de eerste minuten dat de volgorde waarin door het boek “gewerkt” werd, er niet toe deed. Om te beginnen lazen we op bladzijde 1 iets in de trant van “design what people really want instead of making them want your design”. Vervolgens worden we naar bladzijde 168 geleid, waar we lezen dat Henry Ford en Steve Jobs precies dat deden, maken wat mensen wilden (“snellere paarden” - Ford, en “all in one devices” - Jobs). Eerlijk gezegd ben ik blij als de “beloofde” 2 minuten een half uur worden, maar van het bladeren door het nieuwe boek en de “dreiging” daarna in groepjes van 5 a 6 mensen aan het werk te gaan, raak ik toch al snel het spoor bijster. Ik blijf hangen in de “inhoud”. Hoezo maakten Ford en Jobs wat de mensheid wilde? Volgens mij vormen zij juist enorm goede voorbeelden van het andere genoemde uitgangspunt: maken dat mensen jouw producten willen. En verslavend bleken de auto en de smartphone al snel te zijn. Ze ontwrichtten de bestaande orde, en brachten een hele nieuwe klasse van mogelijkheden en nog meer problemen.

Verbijsterd zie ik de andere deelnemers gehoorzaam door het boek bladeren en alles slikken voor zoete koek, terwijl ik nu de weg compleet kwijt ben. Als je een lesboek schrijft, denk ik, doe het dan logisch, zodat je bij bladzijde 1 begint om bij de laatste bladzijde te eindigen. Wetend dat het in groepjes werken dichterbij komt, en ik daarin maar twee rollen ken (1. neem de leiding, 2. trek je volledig terug) reken ik het aantal relaties in een groep van 5 en 6 mensen nog een keer uit: 120 bij 5 deelnemers (5 faculteit), 720 bij 6 deelnemers (6 faculteit). Alleen al sociaal is dit zo complex, dat doelgericht een probleem oplossen naar mijn mening niet kan.

Uit ervaring weet ik dat een workshop nog is door te komen, alles gaat voorbij. Echter, onderwijs inrichten langs dit soort “samenwerkingen” en dan verwachten dat iedereen daar evenveel van leert, is in mijn a-typische (niet neurotypische, autistiforme) ogen tegen het imbeciele aan. Nu zegt de workshopleider dat ieder designteam rollen moet verdelen, een team captain, een criticaster, etc. Ik overwin mijn angst en vraag of het psychologisch niet beschadigend kan zijn als iemand herhaaldelijk in de rol van “tegensmurf” (criticaster) gedrukt zal worden. De zaal lacht, weer een interruptie van die ietwat autistiforme collega. De schrijver draait er om heen.

Dan wordt het me teveel, en bedenk ik een smoes, ik moet echt ergens anders zijn. Opgelucht haal ik adem, en tot mijn opmerkzame verbazing de leider en de collega’s ook. Terug naar mijn werkkamer schiet het me te binnen: de Wet van Brooks: als je bij een vertraagd software project mankracht toevoegt, neemt de vertraging toe. Fred Brooks (IBM ontwikkelaar) sprak van de man-month: hoe meer mensen je bij schakelt, hoe groter de vertraging wordt, vanwege de noodzaak tot parallellisering en de praktisch onmogelijke eisen die dit aan communiceren stelt. Deze eisen leiden tot bottleneck. Steeds meer begin ik te beseffen dat het niet louter mijn “beperking” is, dat ik me in het telkens meer groepsgewijs werkend onderwijs niet optimaal thuis voel. In zekere zin is het ook een neurotypische vertekening met betrekking tot het onderschatten van de complexiteit van communicatie en het overschatten van de kracht van samenwerking bij iedere kleine stap. Ik geloof in samenwerking, maar ik denk dat individuen ook de ruimte moeten hebben om hun eigen proces vorm te geven, en zich individueel te bewijzen. Helaas bestaan er geen bussen waarin iedereen aan het stuur zit, maar in het tijdperk van automatiseren kunnen we wel doen alsof iedereen een manager is .... Of student!

donderdag 7 november 2019

Local adaptations en long jumps

Waarom staan mensen niet in alle tijden klaar om een band zo enthousiast te ontvangen als de Beatles werden ontvangen? Vorige week betoogde ik dat dat niet is omdat er geen bands meer van dat niveau zijn. Helaas is het antwoord een stuk ingewikkelder.

In een aantal wetenschapsgebieden, waaronder de genetica, wordt een onderscheid gemaakt tussen local adaptations en long jumps. Zo kan bijvoorbeeld worden geobserveerd dat bij diersoorten individuen zich voor de voortplanting aangetrokken voelen tot soortgenoten die sterk op ze lijken. In dat geval spreekt men van kin-selection. Nakomelingen gaan dan genetisch gezien vaak ook sterker op elkaar lijken (ze worden meer homozygoot), maar dit betreft niet alleen sterke eigenschappen, maar ook zwakke eigenschappen, zoals (verhoogde vatbaarheid voor) ziektes, gebreken, etc. Bij hondenrassen is dit goed zichtbaar. Door kin selection gaan alle honden van een veredeld ras op elkaar lijken, bijvoorbeeld in grootte en kleur, maar ook mbt “talenten”, zoals waken, werken en schapen hoeden. Tegelijkertijd komt er ten gevolgen van de local adaptations waardoor het ras steeds sterker het ideaalbeeld benadert, onherroepelijk een verhoogde kwetsbaarheid naar boven voor onbedoelde gebreken. Sommige rassen blijken extreem gevoelig voor bepaalde typen kanker, andere voor maagtorsies, etc. Heterozygotie heeft dan plaats gemaakt voor zoveel mogelijk homozygotie.

Stel je voor, je bent een prachtig “veredelde” Duitse Dog, maar je ziet veel nageslacht al jong sterven vanwege maagtorsies, tumoren, Heup Dysplasie, etc. Je wilt toch gezond nageslacht, en volgens je dierendokter is het verstandig om een long jump te overwegen. Na zoeken op Wikipedia kom je erachter: je moet amoureuze avances maken met bijvoorbeeld een Ierse wolfshond, of een Greyhound of een Deerhound. Je nageslacht zal groot en imposant blijven, maar er komen heel veel nieuwe eigenschappen mee, die de kwetsbaarheid op termijn zullen verlagen. Niet vóór niets is een “vuilnisbakkenras” vaak het sterkst. Dus ruil je “zekerheid” mbt kenmerken om voor heterozygotie, beter redundantie, en daarmee zal je nageslacht beter bestand zijn tegen onverwachte gebeurtenissen. Dat alles wel tegen de prijs van minder voorspelbare kenmerken (“zekerheden”). Tot zover dit trans-zoogdier-soortelijke gedachte experiment.

Moeder natuur heeft ons niet voor niets met redundantie uitgerust: 2 verschillende ogen, hersenhelften, longen, etc. Van praktisch al deze systemen is bekend, dat je ook goed kan functioneren met 1 van beide, mits je dat dan wel jong genoeg aanleert. Jazeker, er zijn kinderen met ongeneeslijke zeer heftige epilepsie, waar chirurgisch 1 hersenhelft wordt verwijderd, zodat de epilepsie niet meer over het hele brein kan verspreiden. Niet alleen is dan vaak de epilepsie verdwenen, ook blijken deze kinderen motorisch en cognitief/emotioneel vaak heel “normaal” te ontwikkelen. Dubbele verschillendheid lijkt overbodig (redundant), maar is dat niet. Kin-selectie is een systeem dat sterke eigenschappen sterker maakt (door ze sterker in het genoom te verankeren: ze zet dubbel verschillend - heterozygoot - om in dubbel hetzelfde,  homozygoot), maar tegen de prijs van uiteindelijke algehele verhoogde kwetsbaarheid.

Wat heeft dit nu te maken met de Beatles en mijn blog van vorige week? Alles! Als kunst of wetenschap “op slot zit” (kin-selection; er worden telkens dezelfde “kunstjes” uitgemolken of geëxploiteerd) is er steeds minder ruimte voor andersdenkenden. Echter, er komt een tijd dat “uitbraak” (met een knipoog naar ons gedachte-experiment, vreemdgaan met een Ier, of Greyhound) onvermijdelijk is. Er is dan door deze long jump weer ruimte om te exploreren, om uit te vinden, om ongeletterd te zijn en een nieuwe taal te creëren. Het zijn de ongeletterden na de long jumps die we vaak als grandmasters van kunst en wetenschap waarderen. Of zoals ik een paar jaar geleden schreef, dit is het voordeel van ongeletterdheid. In tijden van exploitatie moet iedereen steeds meer geletterd worden, maar wees dus gewaarschuwd, met alle gevolgen van verhoogde kwetsbaarheid als prijs. Local adaptations en long jumps zijn beide onvermijdelijk in evolutionaire (ontwikkeling) systemen. Dus zowel perfectioneren, als af en toe flink in het diepe springen, heel iets anders gaan doen (heel andere loopbaan wending).

vrijdag 1 november 2019

Exploreren en exploiteren, waarom we altijd weer bij de Beatles uitkomen

In de informatica is er een “wetmatigheid” bekend onder de Regel van Godwin: “Indien een internetdiscussie lang genoeg duurt, benadert de waarschijnlijkheid 1 dat de nazi's of Hitler worden genoemd." Als het een historische of filosofische zienswijze betreft, komen we altijd bij Aristoteles uit, wetenschappelijk Einstein, etc. Als het om popmuziek gaat, eindigen we altijd bij de Beatles. Hoewel ik niets af wil doen aan de slechtheid van Hitler, of de genialiteit van Aristoteles, of Einstein, of de innovativiteit van de Beatles, weten we dat dergelijke namen uiteindelijk redelijk onafhankelijk van hun feitelijke betekenis, een nieuwe betekenis representeren: die van “attractor”, een symboolfunctie, die uiteindelijk een eigen leven gaat leiden. Te pas en ten onpas. Het is een selffulfilling prophecy, want de correctie van “ten onpas” leidt weer tot een uitvergroting van “te pas”, een iteratie, en zo komt de regel van Godwin tot stand. In feite dus een speciaal geval van het Mattheus effect (Mattheus effect de rijken worden rijker). 

Maar waren de Beatles nu zo vernieuwend, of was Leonardo da Vinci nu zo geniaal? Met mijn kinderen die grote Beatles fans zijn, en een collega die een nationaal Beatles expert is, begeef ik me op glad ijs. Maar het beste antwoord is dat ze vooral op het juiste moment op de juiste tijd waren, en uiteraard zeker over veel talent beschikten. Maar dat laatste deelden met vele anderen, maar “momentum” en de iteraties die daarop volgen (zich in het oog van de storm bevinden), dat is niet voorspelbaar en dus ook in laatste instantie niet gedetermineerd. Momentum is bepalend, andere verklaringen zijn in meerdere of mindere mate voorbeelden van attributiefouten. De uitvergroting die supersterren krijgen, gaat alle proporties te buiten en versterkt zichzelf, keer op keer. Tenminste, als het voorbij een kritische grens is gekomen. De theorie van de dynamische systemen laat zien hoe onder de juiste omstandigheden een vlinderslag in Japan tot een orkaan in Nederland zou kunnen leiden. 

Is er dan niets speciaals te zeggen over de innovatieve kracht van een Da Vinci, of de Beatles. Jazeker, maar dat laat ik graag aan anderen over. Meer algemeen - systematisch - kan een onderscheid gemaakt worden tussen exploreren en exploiteren. Soms bevindt een kunststroming zich in de fase van exploreren, de artiesten hebben dan veel ruimte en alles wat ze doen wordt als relatief nieuw gezien. Ruimte geven aan een klassiek georiënteerde producer, bijvoorbeeld, hielp de Beatles jeugdcultuur te verbinden met de serieuze klassieke muziektraditie, waardoor ze in één keer iedereen (jeugd tot en met de conservatorium docent) aanspraken, ze overbrugden al explorerend 2 werelden, 2 uitersten. Dat ze daarbij bleven staan in de kracht van hun eigen expressiviteit, maakte het authentiek. Zeker, andere bands deden dit ook, maar gladder (Ekseption), éénmaliger (Procol Harum), of ingewikkelder (Deep Purple) en bovendien stonden zij niet in het hart van de orkaan (ook al was die door een vlinder veroorzaakt). 

Popmuziek zit nu al lang op slot, in de fase van de exploitatie. Saai, saaier en saaist lijkt het devies, en alleen extreem, zoals nu weer doodsaaie rap/hiphop uit Chicago/London - drill genoemd - waarin “respect” wordt afgedwongen doordat er echt doden vallen bij steekpartijen tussen rivaliserende gangs, exploreert de grens. De rest is exploitatie, totdat wij anders leren luisteren naar de vele talenten die er onverminderd zijn, en we ze het avontuur van muzikale, of wetenschappelijke exploratie gunnen. Maar waarom zouden we, we hebben toch onze retroveiligheid in deze onzekere wereld?


donderdag 24 oktober 2019

Ok, mogelijkheden!

Ok, het punt is duidelijk: de mens-technologie symbiose heeft ons voorspoed en tegenspoed gebracht en via de enorme schaalvergroting die is ontstaan, staan we nu voor wereldwijde problemen (milieu, klimaat, technologisch totalitarisme/technologische iatrogenese, gebrek aan zingeving) die we met onze bijna 300.000 jaar oude psycho-biologische “hardware” niet kunnen oplossen. We kunnen het niet langer aan de ons bekende moordende cocktail van multinationals, wetenschap en/of (populistische) democratie overlaten. Maar hebben we dan nog enige kans?

Het goede nieuws: Ja! (gedragsverandering). Het slechte nieuws: Ja! (Dan Brown-achtige scenarios). We gaan alleen in op de eerste ja. Het is menselijk gedrag dat ons uiteindelijk in deze niet toekomstbestendige positie bracht. Er is geen weg terug, maar er zijn meerdere mogelijke wegen vooruit. Indien het aantal mensen op de planeet vanaf nu zou gaan krimpen, dan zou in potentie de enorm grote schaal met betere (toekomstige) energieomzetting ten gunste van voeding, mobiliteit en communicatie duurzaam beheersbaar kunnen worden gemaakt. Dat betekent niet meer technologie om de technologie, en nog minder disruptie om de disruptie, maar alles afgestemd op keuzes vanuit de centrale gedachte van toekomstbestendigheid. In dit scenario wordt de sociale wetenschap de meest centrale wetenschap, met in het hart de psychologie. Helaas kan dat niet in het verlengde van wat we nu onder sociale wetenschappen en psychologie rekenen. Waarom niet?

De situatie in de wetenschap lijkt op de beroemde dwaas die zijn horloge verliest in een pikdonker park en vervolgens wordt aangesproken door een agent als hij maar blijft zoeken onder een lantaarnpaal. Hij zegt dat hij niet in het donker zoekt, want daar toch niets zal vinden, maar hier in het licht al hele waardevolle munten heeft gevonden. In de exacte wetenschap werkt de wetenschappelijk methode uitstekend, maar in de menswetenschappen levert het op zijn best op dat je door het publiek beschimpt wordt dat je een quasi wetenschapper bent. Maar, helaas, de echte problemen vereisen meer en systematischer begrip in hoe gedragsverandering zowel individueel als van groepen tot stand gebracht kunnen worden. Dat betekent dat de alpha en gamma wetenschappen een broedplaats voor onze allergrootste intellectuele, creatieve en bestuurlijke talenten zullen moeten worden. Met andere woorden, als je echt slim bent kies je niet automatisch bèta, dat kan altijd nog, maar kijk je eerst hoe je Alpha en gamma kan dienen.

Maar waarom is dit nodig, en redden we het niet met de nu ingeslagen weg in de sociale wetenschappen? Een voorbeeld. In veel welvarende streken treedt al enkele decennia krimp van de (relatief) autochtone (dat wil zeggen geassimileerde) bevolkingsgroepen op. De kennis van psychologische factoren rond bevolkingsgroei (pos en neg) zou vooraan in de psychologieboeken moeten staan, keurig op een rijtje. Correlaties met andere vakgebieden (economie en biologie) zouden vanuit hier ook direct in kaart gebracht moeten worden. De kennis is er, maar nergens geordend, zodat we er nagenoeg niets aan hebben. Ten tijden van oorlog, bijvoorbeeld worden er op de 100 meisjes bijna 120 jongetjes geboren, in rust en welvaart liggen de getallen op 100/101. In een serieel monogame samenleving met lage kindersterfte heeft een stel gemiddeld 2,2 kind nodig om de bevolking op peil te houden. Een stel krijgt gemiddeld 1,4 kind en in volgende relaties nog 0,6, dus is er sprake van een lichte krimp. Dit type kennis alsmede wat de psychologische concepten zijn die met een lagere fertiliteit in de hogere welvaart (klasse) samenhang, is van essentieel belang, maar niet toegepast georganiseerd en dus ook niet toegankelijk. Nu in termen van de puzzel van vorige week: maakt welvaart onze wereld voorspelbaarder, rationeler, en onverschilliger in onze kinderwens?

vrijdag 18 oktober 2019

Niet voorspelbaar, wel voorstelbaar; de story of my life

Als kind kon ik dagenlang bezig zijn met conducteurtje spelen. Alle eetkamerstoelen zette ik op een rij, mijn knuffelbeer en natuurlijk Soldaat Engelsman zette ik op de stoelen, en bewapend met pet en kaartjes kniptang liep ik keer op keer langs de rij stoelen. 

Later, toen ik me ging richten op hoe saaie handelingen geautomatiseerd konden worden, bleef ik, en met mij een hele (ICT) beroepsgroep, toch vooral functioneel (unilineair) denken. Het idee dat kaartjes digitaal verschaft en gecontroleerd kunnen worden, zodat niemand dat “saaie” beroep van conducteur meer zou hoeven uit te voeren, maakte automatiseerders haast tot helden. Nog net niet met Batman cape op bedacht ik algoritme na algoritme en trok ik zo ten strijde tegen die saaie, zinloze baantjes, die mensen tot machines maakten. Sommige ict-ers - vooral systeembeheerders- hadden dan ook “Superman” als computernaam. 

Ondertussen weten we dat je functionaliteiten kunt automatiseren, maar dat dit zelden iets zegt over de “werkelijke” bijdrage van de werknemer. Zo hebben we nog steeds conducteurs, die ook nog steeds de geldigheid van toegangsbewijzen controleren, maar vooral omdat ze daarmee een “legitimatie” hebben om zich tussen de reizigers te begeven, en er geen cameratoezicht op kan tegen de invloed op zowel veiligheid, als gevoel van veiligheid, die hun aanwezigheid bewerkstelligt. Hiermee is ook financieel hun inzet meer dan verantwoord. Hetzelfde geldt in bioscopen, waar de kassa’s vervangen worden, maar om de onverschilligheid en ontsporing van (puberaal) haantjesgedrag te beteugelen, nu nog meer medewerkers dan er eerder achter de kassa’s en bij de toiletten nodig waren, rondlopen met “rotklusjes” (popcorn resten opvegen, of rondlopen en tegen iedere bezoeker iets vriendelijks zeggen). 

Met andere woorden, automatiseren (en tegenwoordig robotiseren) ligt regelmatig in het verlengde van het simpele unilineaire functionele denken van het conducteur spelende kind. En laten we eerlijk zijn, nu ik bijna 60 ben, is er op het autorijden na, niets meer dat ik voor mijn salaris doe, dat ook een kind van 6 niet zou kunnen doen. En voor heel veel mensen in onze samenleving betreft autorijden de moeilijkste en meest gevaarlijke taak die ze uitvoeren. Alleen door systeemdenken zien we de beperking van automatiseren. Waarom is een conducteur, of een professor nog steeds nodig? Precies, om met de juiste woorden de menselijke context van reizigers, studenten en/of andere medemensen te expliciteren, uit te leggen, veilig of inzichtelijk te maken. Juist dit doen op een niet voorspelbare maar wel voorstelbare wijze, bevestigt dat we leven en geen robots zijn!

Hoe gek het ook klinkt, ICT bedrijven hebben dit bewust of onbewust niet door. Zo krijgt iedereen na elke grote systeemupdate te maken met een aantal ICT wetmatigheden. Twee voorbeelden. De Wet van Gates (1): software updates vragen sneller meer processor power dan hardware verbeteringen die kunnen leveren, met als gevolg dat na elke update je computer of tablet net iets trager functioneert. Stel je voor dat een serviesbedrijf bij een update je huis inbreekt en je servies een fris nieuw kleurtje geeft. Na de laatste Apple update is zelfs de toetsenbord indeling veranderd, waardoor ik bij het typen van deze blog steeds stukken tekst delete .... Nu denk ik dat Apple en Microsoft dit alles prima weten en hun verdienmodel erop hebben afgestemd. Maar in dat geval zijn wij - de consumenten - de onnozelaars. Vandaar een inleiding in systeemdenken. Om af te sluiten met een andere ICT wet - (2) het Scheermes van Hanlon (variant op Ockham, die stelde dat bij gelijke omstandigheden de simpelste verklaring meestal de juiste is): ga nooit uit van kwade opzet, als domheid ook een goede verklaring is. Sorry Apple, Android en Microsoft, het is kwaadaardig of, met een knipoog naar onze koningin, “een beetje dom”. U mag kiezen!



Jeugdherinneringen

Eén herinnering aan de kleuterschool laat me nooit meer los. Er scheen een man te zijn die ieder kind die wilde een speeltje gaf. Zelf heb i...